frapperen
werkwoordBetekenis
- opvallen, verbazen
Vervoeging van frapperen
frapperenhele werkwoord — frappeerdeverleden tijd enkelvoud — frappeerdenverleden tijd meervoud — gefrappeerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | frappeer | frappeerde |
| jij | frappeert | frappeerde |
| hij, zij, het | frappeert | frappeerde |
| wij | frapperen | frappeerden |
| jullie | frapperen | frappeerden |
| zij | frapperen | frappeerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gefrappeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gefrappeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gefrappeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gefrappeerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gefrappeerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gefrappeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gefrappeerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gefrappeerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gefrappeerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gefrappeerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| frappeer | gebiedende wijs |
| frappeerde | verleden tijd |
| frappere | aanvoegende wijs |
| frapperend | onvoltooid, deelwoord |
| gefrappeerd | verleden tijd, deelwoord |
| gefrappeerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gefrappeerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gefrappeerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gefrappeerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gefrappeerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gefrappeerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gefrappeerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gefrappeerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gefrappeerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gefrappeerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gefrappeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gefrappeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gefrappeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gefrappeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gefrappeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gefrappeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gefrappeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gefrappeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gefrappeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gefrappeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gefrappeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gefrappeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gefrappeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gefrappeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gefrappeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gefrappeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gefrappeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te frapperen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gefrappeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen frapperen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gefrappeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gefrappeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gefrappeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gefrappeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gefrappeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gefrappeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gefrappeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gefrappeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gefrappeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gefrappeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gefrappeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gefrappeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gefrappeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gefrappeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gefrappeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gefrappeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gefrappeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gefrappeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gefrappeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gefrappeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal frapperen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal frapperen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal frapperen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gefrappeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gefrappeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gefrappeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gefrappeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gefrappeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gefrappeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gefrappeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn gefrappeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gefrappeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gefrappeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gefrappeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou frapperen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou frapperen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou frapperen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gefrappeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gefrappeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gefrappeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gefrappeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gefrappeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gefrappeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gefrappeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gefrappeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gefrappeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden frapperen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden frapperen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden frapperen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gefrappeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gefrappeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gefrappeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gefrappeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gefrappeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gefrappeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gefrappeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gefrappeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gefrappeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt frapperen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gefrappeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gefrappeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gefrappeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen frapperen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen frapperen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen frapperen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen frapperen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gefrappeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gefrappeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gefrappeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gefrappeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gefrappeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gefrappeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gefrappeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gefrappeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gefrappeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult frapperen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gefrappeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gefrappeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gefrappeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘treffen’ voor het eerst aangetroffen in 1781
Woordfamilie van frapperen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| frappeer | gebiedende wijs | frapperen |
| frappeerde | verleden tijd | frapperen |
| frappeerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | frapperen |
| frappeert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | frapperen |
| frappere | aanvoegende wijs | frapperen |
| frapperend | onvoltooid deelwoord | frapperen |
| frapperende | woordvorm | frapperen |
| gefrappeerd | voltooid deelwoord | frapperen |
| gefrappeerde | woordvorm | frapperen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van frapperen zijn vastgelegd.