fosforesceren
werkwoordBetekenis
- langdurig licht afgeven na belichting door het bestaan van een langlevende aangeslagen toestand
Vervoeging van fosforesceren
fosforescerenhele werkwoord — fosforesceerdeverleden tijd enkelvoud — fosforesceerdenverleden tijd meervoud — gefosforesceerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | fosforesceer | fosforesceerde |
| jij | fosforesceert | fosforesceerde |
| hij, zij, het | fosforesceert | fosforesceerde |
| wij | fosforesceren | fosforesceerden |
| jullie | fosforesceren | fosforesceerden |
| zij | fosforesceren | fosforesceerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| fosforesceer | gebiedende wijs |
| fosforesceerde | verleden tijd |
| fosforescere | aanvoegende wijs |
| fosforescerend | onvoltooid, deelwoord |
| gefosforesceerd | verleden tijd, deelwoord |
| gefosforesceerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gefosforesceerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gefosforesceerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gefosforesceerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gefosforesceerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gefosforesceerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gefosforesceerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gefosforesceerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gefosforesceerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gefosforesceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gefosforesceerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gefosforesceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gefosforesceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gefosforesceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gefosforesceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gefosforesceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gefosforesceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te fosforesceren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gefosforesceerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen fosforesceren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal fosforesceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal fosforesceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal fosforesceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gefosforesceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gefosforesceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gefosforesceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou fosforesceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou fosforesceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou fosforesceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gefosforesceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gefosforesceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gefosforesceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden fosforesceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden fosforesceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden fosforesceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gefosforesceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gefosforesceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gefosforesceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt fosforesceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gefosforesceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen fosforesceren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen fosforesceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen fosforesceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen fosforesceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gefosforesceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gefosforesceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gefosforesceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult fosforesceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gefosforesceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘licht geven na bestraling’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1824
Woordfamilie van fosforesceren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| fosforesceer | gebiedende wijs | fosforesceren |
| fosforesceerde | verleden tijd | fosforesceren |
| fosforesceerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | fosforesceren |
| fosforesceert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | fosforesceren |
| fosforescere | aanvoegende wijs | fosforesceren |
| fosforescerend | onvoltooid deelwoord | fosforesceren |
| fosforescerende | woordvorm | fosforesceren |
| gefosforesceerd | voltooid deelwoord | fosforesceren |
| gefosforesceerde | woordvorm | fosforesceren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van fosforesceren zijn vastgelegd.