formatteren
werkwoordBetekenis
- van een format voorzien
- de harde schijf of een verwisselbare schijf initialiseren
Vervoeging van formatteren
formatterenhele werkwoord — formatteerdeverleden tijd enkelvoud — formatteerdenverleden tijd meervoud — geformatteerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | formatteer | formatteerde |
| jij | formatteert | formatteerde |
| hij, zij, het | formatteert | formatteerde |
| wij | formatteren | formatteerden |
| jullie | formatteren | formatteerden |
| zij | formatteren | formatteerden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is geformatteerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geformatteerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geformatteerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geformatteerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geformatteerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geformatteerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geformatteerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geformatteerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| formatteer | gebiedende wijs |
| formatteerde | verleden tijd |
| formattere | aanvoegende wijs |
| formatterend | onvoltooid, deelwoord |
| geformatteerd | verleden tijd, deelwoord |
| geformatteerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geformatteerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geformatteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geformatteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geformatteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geformatteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geformatteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geformatteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geformatteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geformatteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geformatteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geformatteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geformatteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geformatteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geformatteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geformatteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geformatteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te formatteren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geformatteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen formatteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal formatteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal formatteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal formatteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geformatteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geformatteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geformatteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou formatteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou formatteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou formatteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geformatteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geformatteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geformatteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden formatteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden formatteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden formatteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geformatteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geformatteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geformatteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt formatteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geformatteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen formatteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen formatteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen formatteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen formatteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geformatteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geformatteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geformatteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult formatteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geformatteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘een informatiedrager gereed maken voor gegevensopslag’ voor het eerst aangetroffen in 1984
Woordfamilie van formatteren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| formatteer | gebiedende wijs | formatteren |
| formatteerde | verleden tijd | formatteren |
| formatteerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | formatteren |
| formatteert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | formatteren |
| formattere | aanvoegende wijs | formatteren |
| formatterend | onvoltooid deelwoord | formatteren |
| formatterende | woordvorm | formatteren |
| geformatteerd | voltooid deelwoord | formatteren |
| geformatteerde | woordvorm | formatteren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van formatteren zijn vastgelegd.