Naar de inhoud

fonkelen

lichtflitsjes afgeven, door weerkaatsing of het oplichten van vonken

fonkelen

werkwoord

Betekenis

  1. lichtflitsjes afgeven, door weerkaatsing of het oplichten van vonken

Vervoeging van fonkelen

fonkelenhele werkwoord — fonkeldeverleden tijd enkelvoud — fonkeldenverleden tijd meervoud — gefonkeldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik fonkel fonkelde
jij fonkelt fonkelde
hij, zij, het fonkelt fonkelde
wij fonkelen fonkelden
jullie fonkelen fonkelden
zij fonkelen fonkelden
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
fonkel gebiedende wijs
fonkelde verleden tijd
fonkele aanvoegende wijs
fonkelend onvoltooid, deelwoord
gefonkeld verleden tijd, deelwoord
gefonkeld te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gefonkeld zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gefonkeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gefonkeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gefonkeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gefonkeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gefonkeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gefonkeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gefonkeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gefonkeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gefonkeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gefonkeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gefonkeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gefonkeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gefonkeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gefonkeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gefonkeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te fonkelen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben gefonkeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen fonkelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal fonkelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal fonkelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal fonkelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal gefonkeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gefonkeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gefonkeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zou fonkelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou fonkelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou fonkelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou gefonkeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gefonkeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gefonkeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden fonkelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden fonkelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden fonkelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden gefonkeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gefonkeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gefonkeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt fonkelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt gefonkeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen fonkelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen fonkelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen fonkelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen fonkelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen gefonkeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gefonkeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gefonkeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult fonkelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult gefonkeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

Ontleend aan Duits funkeln, gedeeltelijk aangepast aan (of beïnvloed door) Nederlands vonk, in de betekenis van ‘levendig glanzen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1812

Woordfamilie van fonkelen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
fonkel gebiedende wijs fonkelen
fonkelde verleden tijd fonkelen
fonkelden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon fonkelen
fonkele aanvoegende wijs fonkelen
fonkelt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon fonkelen
gefonkeld voltooid deelwoord fonkelen
gefonkelde woordvorm fonkelen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van fonkelen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over fonkelen

Wat is de betekenis van fonkelen?
Fonkelen is een werkwoord. De betekenis is: lichtflitsjes afgeven, door weerkaatsing of het oplichten van vonken.
Hoe vervoeg ik fonkelen?
Zo vervoeg je fonkelen zo: de tegenwoordige tijd is fonkel, de verleden tijd is fonkelde en het voltooid deelwoord is gefonkeld. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord fonkelen is 15 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. F 4
  2. O 1
  3. N 1
  4. K 3
  5. E 1
  6. L 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 15 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

fonkelen levert met Wordfeud minimaal 15 en maximaal 69 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. F 4
  2. O 1
  3. N 1
  4. K 3
  5. E 1
  6. L 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 15 zonder bonus
  10. 69 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (F) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

fonkelen in het kort

fonkelen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van fonkelen staan er 32 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort fonkelen bij een woordfamilie van 7 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

fonkelen: lichtflitsjes afgeven, door weerkaatsing of het oplichten van vonken
Deel fonkelen — standaardnederlands.nl