fokken
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- dieren houden om ze te laten voortplanten
Vervoeging van fokken
fokkenhele werkwoord — fokteverleden tijd enkelvoud — foktenverleden tijd meervoud — gefoktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | fok | fokte |
| jij | fokt | fokte |
| hij, zij, het | fokt | fokte |
| wij | fokken | fokten |
| jullie | fokken | fokten |
| zij | fokken | fokten |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gefokt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gefokt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gefokt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gefokt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gefokt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gefokt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gefokt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gefokt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| fok | gebiedende wijs |
| fokke | aanvoegende wijs |
| fokkend | onvoltooid, deelwoord |
| fokte | verleden tijd |
| gefokt | verleden tijd, deelwoord |
| gefokt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gefokt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gefokt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gefokt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gefokt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gefokt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gefokt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gefokt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gefokt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gefokt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gefokt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gefokt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gefokt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gefokt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gefokt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gefokt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gefokt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te fokken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gefokt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen fokken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal fokken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal fokken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal fokken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gefokt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gefokt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gefokt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou fokken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou fokken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou fokken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gefokt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gefokt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gefokt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden fokken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden fokken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden fokken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gefokt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gefokt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gefokt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt fokken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gefokt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen fokken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen fokken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen fokken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen fokken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gefokt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gefokt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gefokt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult fokken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gefokt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord fok
Herkomst
In de betekenis van ‘aankweken, doen voorttelen’ voor het eerst aangetroffen in 1704
Woordfamilie van fokken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| fokke | aanvoegende wijs | fokken |
| fokkend | onvoltooid deelwoord | fokken |
| fokkende | woordvorm | fokken |
| fokt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | fokken |
| fokte | verleden tijd | fokken |
| fokten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | fokken |
| gefokt | voltooid deelwoord | fokken |
| gefokte | woordvorm | fokken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van fokken zijn vastgelegd.