foeteren
werkwoordBetekenis
- iemand met protesten en scheldwoorden overladen.
Vervoeging van foeteren
foeterenhele werkwoord — foeterdeverleden tijd enkelvoud — foeterdenverleden tijd meervoud — gefoeterdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | foeter | foeterde |
| jij | foetert | foeterde |
| hij, zij, het | foetert | foeterde |
| wij | foeteren | foeterden |
| jullie | foeteren | foeterden |
| zij | foeteren | foeterden |
Alle 64 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gefoeterd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gefoeterd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gefoeterd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gefoeterd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gefoeterd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gefoeterd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gefoeterd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gefoeterd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| foeter | gebiedende wijs |
| foeterde | verleden tijd |
| foetere | aanvoegende wijs |
| foeterend | onvoltooid, deelwoord |
| fóéteren | canonical |
| gefoeterd | verleden tijd, deelwoord |
| gefoeterd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gefoeterd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gefoeterd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gefoeterd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gefoeterd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gefoeterd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gefoeterd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gefoeterd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gefoeterd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gefoeterd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gefoeterd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gefoeterd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gefoeterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gefoeterd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gefoeterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gefoeterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gefoeterd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te foeteren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gefoeterd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen foeteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal foeteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal foeteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal foeteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gefoeterd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gefoeterd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gefoeterd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou foeteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou foeteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou foeteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gefoeterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gefoeterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gefoeterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden foeteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden foeteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden foeteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gefoeterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gefoeterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gefoeterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt foeteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gefoeterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen foeteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen foeteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen foeteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen foeteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gefoeterd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gefoeterd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gefoeterd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult foeteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gefoeterd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘mopperen’ voor het eerst aangetroffen in 1848
Woordfamilie van foeteren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| foeter | gebiedende wijs | foeteren |
| foeterde | verleden tijd | foeteren |
| foeterden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | foeteren |
| foetere | aanvoegende wijs | foeteren |
| foeterend | onvoltooid deelwoord | foeteren |
| foeterende | woordvorm | foeteren |
| foetert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | foeteren |
| gefoeterd | voltooid deelwoord | foeteren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van foeteren zijn vastgelegd.