Naar de inhoud

focussen

richten op één punt, concentreren

focussen is meer dan één woord

focussen

werkwoord, zelfstandig naamwoord /ˈfokʏsə(n)/

Betekenis

  1. richten op één punt, concentreren
  2. de aandacht richten
  3. zich ~ op de aandacht helemaal richten op

Hoe spreek je focussen uit?

/ˈfokʏsən/

Focussen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈfokʏsən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
f fiets
o boot
k kat
ʏ put
s sok
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van focussen

focussenhele werkwoord — focusteverleden tijd enkelvoud — focustenverleden tijd meervoud — gefocustvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik focus focuste
jij focust focuste
hij, zij, het focust focuste
wij focussen focusten
jullie focussen focusten
zij focussen focusten
Alle 97 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
er is gefocust impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gefocust impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gefocust impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gefocust impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gefocust worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gefocust zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gefocust worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gefocust zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
focus gebiedende wijs
focus me eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
focus u/je , focust je gebiedende wijs
focusse aanvoegende wijs
focusse zich aanvoegende wijs
focussen je tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
focussen ons eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
focussen zich derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
focussend onvoltooid, deelwoord
focust je tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
focust u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
focust u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
focust zich derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
focust zich/u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
focust zich/u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
focuste verleden tijd
focuste je tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
focuste me eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud
focuste u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
focuste u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
focuste zich derde persoon, verleden tijd, enkelvoud
focuste zich/u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
focuste zich/u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
focusten je tweede persoon, verleden tijd, meervoud
focusten ons eerste persoon, verleden tijd, meervoud
focusten zich derde persoon, verleden tijd, meervoud
gefocust verleden tijd, deelwoord
gefocust te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gefocust zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gefocust voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gefocust voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gefocust voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gefocust voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gefocust voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gefocust voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gefocust voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gefocust voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gefocust actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gefocust voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gefocust voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gefocust voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gefocust voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gefocust voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gefocust voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te focussen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben gefocust actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen focussen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal focussen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal focussen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal focussen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal gefocust hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gefocust hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gefocust hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal me focussen eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal zich focussen derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je focussen tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich focussend onvoltooid, deelwoord
zich gefocust hebben verleden tijd
zou focussen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou focussen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou focussen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou gefocust hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gefocust hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gefocust hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden focussen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden focussen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden focussen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden gefocust hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gefocust hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gefocust hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt focussen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt gefocust hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen focussen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen focussen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen focussen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen focussen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen gefocust hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gefocust hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gefocust hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen je focussen tweede persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen ons focussen eerste persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen zich focussen derde persoon, toekomende tijd, meervoud
zult focussen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult gefocust hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult u focussen tweede persoon
zult u focussen tweede persoon, toekomende tijd, meervoud
zult zich/u focussen tweede persoon
zult zich/u focussen tweede persoon, toekomende tijd, meervoud

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord focus

Herkomst

Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘in het brandpunt plaatsen’ voor het eerst aangetroffen in 1959

Woordfamilie van focussen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
focusse aanvoegende wijs focussen
focussend onvoltooid deelwoord focussen
focussende woordvorm focussen
focust aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon focussen
focuste verleden tijd focussen
focusten aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon focussen
gefocust voltooid deelwoord focussen
gefocuste woordvorm focussen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van focussen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over focussen

Hoe spreek ik focussen uit?
Zo spreek je focussen uit: /ˈfokʏsə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van focussen?
Focussen is een werkwoord. De betekenis is: richten op één punt, concentreren. In totaal staan er 3 betekenissen.
Hoe vervoeg ik focussen?
Zo vervoeg je focussen zo: de tegenwoordige tijd is focus, de verleden tijd is focuste en het voltooid deelwoord is gefocust. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord focussen is 20 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. F 4
  2. O 1
  3. C 5
  4. U 4
  5. S 2
  6. S 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 20 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

focussen levert met Wordfeud minimaal 18 en maximaal 84 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. F 4
  2. O 1
  3. C 5
  4. U 2
  5. S 2
  6. S 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 18 zonder bonus
  10. 84 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

focussen in het kort

focussen is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Wat het is, hangt af van de zin. Hierboven vind je 3 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van focussen staan er 68 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort focussen bij een woordfamilie van 8 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

focussen: richten op één punt, concentreren
Deel focussen — standaardnederlands.nl