Naar de inhoud

fluorideren

fluoride toevoegen gewoonlijk aan drinkwater

fluorideren

werkwoord

Betekenis

  1. fluoride toevoegen gewoonlijk aan drinkwater

Vervoeging van fluorideren

fluoriderenhele werkwoord — fluorideerdeverleden tijd enkelvoud — fluorideerdenverleden tijd meervoud — gefluorideerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik fluorideer fluorideerde
jij fluorideert fluorideerde
hij, zij, het fluorideert fluorideerde
wij fluorideren fluorideerden
jullie fluorideren fluorideerden
zij fluorideren fluorideerden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben gefluorideerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gefluorideerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is gefluorideerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gefluorideerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gefluorideerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gefluorideerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gefluorideerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gefluorideerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gefluorideerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gefluorideerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
fluorideer gebiedende wijs
fluorideerde verleden tijd
fluoridere aanvoegende wijs
fluoriderend onvoltooid, deelwoord
gefluorideerd verleden tijd, deelwoord
gefluorideerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gefluorideerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gefluorideerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gefluorideerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gefluorideerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gefluorideerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gefluorideerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gefluorideerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gefluorideerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gefluorideerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gefluorideerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gefluorideerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gefluorideerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gefluorideerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gefluorideerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gefluorideerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gefluorideerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gefluorideerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gefluorideerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gefluorideerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gefluorideerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gefluorideerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gefluorideerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gefluorideerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gefluorideerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gefluorideerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gefluorideerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te fluorideren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben gefluorideerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen fluorideren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gefluorideerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gefluorideerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gefluorideerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gefluorideerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gefluorideerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gefluorideerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gefluorideerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gefluorideerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gefluorideerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gefluorideerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gefluorideerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gefluorideerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gefluorideerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gefluorideerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gefluorideerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gefluorideerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gefluorideerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gefluorideerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gefluorideerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gefluorideerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal fluorideren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal fluorideren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal fluorideren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal gefluorideerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gefluorideerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gefluorideerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gefluorideerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gefluorideerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gefluorideerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gefluorideerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn gefluorideerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gefluorideerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gefluorideerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gefluorideerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou fluorideren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou fluorideren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou fluorideren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou gefluorideerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gefluorideerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gefluorideerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gefluorideerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gefluorideerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gefluorideerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gefluorideerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gefluorideerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gefluorideerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden fluorideren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden fluorideren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden fluorideren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden gefluorideerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gefluorideerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gefluorideerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gefluorideerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gefluorideerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gefluorideerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gefluorideerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gefluorideerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gefluorideerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt fluorideren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt gefluorideerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gefluorideerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gefluorideerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen fluorideren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen fluorideren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen fluorideren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen fluorideren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen gefluorideerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gefluorideerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gefluorideerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gefluorideerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen gefluorideerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen gefluorideerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gefluorideerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gefluorideerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gefluorideerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult fluorideren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult gefluorideerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gefluorideerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gefluorideerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

afgeleid van fluoride met het achtervoegsel -eren

Woordfamilie van fluorideren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
fluorideer gebiedende wijs fluorideren
fluorideerde verleden tijd fluorideren
fluorideerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon fluorideren
fluorideert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon fluorideren
fluoridere aanvoegende wijs fluorideren
fluoriderend onvoltooid deelwoord fluorideren
fluoriderende woordvorm fluorideren
gefluorideerd voltooid deelwoord fluorideren
gefluorideerde woordvorm fluorideren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van fluorideren zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over fluorideren

Wat is de betekenis van fluorideren?
Fluorideren is een werkwoord. De betekenis is: fluoride toevoegen gewoonlijk aan drinkwater.
Hoe vervoeg ik fluorideren?
Zo vervoeg je fluorideren zo: de tegenwoordige tijd is fluorideer, de verleden tijd is fluorideerde en het voltooid deelwoord is gefluorideerd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord fluorideren is 22 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. F 4
  2. L 3
  3. U 4
  4. O 1
  5. R 2
  6. I 1
  7. D 2
  8. E 1
  9. R 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 22 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

fluorideren levert met Wordfeud minimaal 21 en maximaal 87 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. F 4
  2. L 3
  3. U 2
  4. O 1
  5. R 2
  6. I 2
  7. D 2
  8. E 1
  9. R 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 21 zonder bonus
  13. 87 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (F) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

fluorideren in het kort

fluorideren staat in dit woordenboek als werkwoord. Van fluorideren staan er 75 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort fluorideren bij een woordfamilie van 9 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

fluorideren: fluoride toevoegen gewoonlijk aan drinkwater
Deel fluorideren — standaardnederlands.nl