flodder
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- oefenpatroon waarbij wel kruit tot ontbranding komt maar geen kogel wordt afgeschoten
- losse flodder: een loze aanval die geen doel treft
- slordige loshangende kleding
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| flodders | meervoud |
| floddertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| floddertjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van flodderen
- gebiedende wijs van flodderen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van flodderen
Vervoeging van flodder
flodderhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘oefenpatroon’ voor het eerst aangetroffen in 1950
Woordfamilie van flodder
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| flodders | meervoud | flodder |
| floddertje | verkleinwoord | flodder |
| floddertjes | verkleinwoord meervoud | flodder |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van flodder zijn vastgelegd.