flikkeren
werkwoordBetekenis
- afwisselend meer en minder of helemaal geen licht geven of terugkaatsen
- vallen
- gooien
- geslachtsgemeenschap hebben, i.h.b. van homoseksuelen
Vervoeging van flikkeren
flikkerenhele werkwoord — flikkerdeverleden tijd enkelvoud — flikkerdenverleden tijd meervoud — geflikkerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | flikker | flikkerde |
| jij | flikkert | flikkerde |
| hij, zij, het | flikkert | flikkerde |
| wij | flikkeren | flikkerden |
| jullie | flikkeren | flikkerden |
| zij | flikkeren | flikkerden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is geflikkerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geflikkerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geflikkerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geflikkerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geflikkerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geflikkerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geflikkerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geflikkerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| flikker | gebiedende wijs |
| flikkerde | verleden tijd |
| flikkere | aanvoegende wijs |
| flikkerend | onvoltooid, deelwoord |
| geflikkerd | verleden tijd, deelwoord |
| geflikkerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geflikkerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geflikkerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geflikkerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geflikkerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geflikkerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geflikkerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geflikkerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geflikkerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geflikkerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geflikkerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geflikkerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geflikkerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geflikkerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geflikkerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geflikkerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geflikkerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te flikkeren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geflikkerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen flikkeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal flikkeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal flikkeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal flikkeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geflikkerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geflikkerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geflikkerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou flikkeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou flikkeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou flikkeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geflikkerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geflikkerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geflikkerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden flikkeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden flikkeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden flikkeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geflikkerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geflikkerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geflikkerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt flikkeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geflikkerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen flikkeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen flikkeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen flikkeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen flikkeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geflikkerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geflikkerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geflikkerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult flikkeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geflikkerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Vroeg-Modern- of Laat-Middelnederlands vlickeren "beweeglijk glanzen" (1545, Servilius) , naast flickeren "fladderen, onrustig vliegen" (1599, Kiliaan), verwant met Oudengels flicorian "vladderen, wapperen" (> modern Engels flicker) , ogenschijnlijk afgeleid van een stam *flik(k)-, met een iteratief suffix -er. Deze stam *flik(k)- is mogelijk secundair ontstaan uit een contaminatie van *flakk-ōn "fladderen" en *likk-ōn "(op)springen". ** [4] Een moderne afleiding van flikker "homoseksuele man".
Woordfamilie van flikkeren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| flikkerde | verleden tijd | flikkeren |
| flikkerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | flikkeren |
| flikkere | aanvoegende wijs | flikkeren |
| flikkerend | onvoltooid deelwoord | flikkeren |
| flikkert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | flikkeren |
| geflikkerd | voltooid deelwoord | flikkeren |
| geflikkerde | woordvorm | flikkeren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van flikkeren zijn vastgelegd.