flemen
werkwoordBetekenis
- overdreven lief tegen iemand doen
- reageren op de aanwezigheid van feromonen in de urine van een krols wijfje door met het gezicht te trekken
Vervoeging van flemen
flemenhele werkwoord — fleemdeverleden tijd enkelvoud — fleemdenverleden tijd meervoud — gefleemdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | fleem | fleemde |
| jij | fleemt | fleemde |
| hij, zij, het | fleemt | fleemde |
| wij | flemen | fleemden |
| jullie | flemen | fleemden |
| zij | flemen | fleemden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gefleemd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gefleemd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gefleemd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gefleemd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gefleemd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gefleemd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gefleemd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gefleemd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| fleem | gebiedende wijs |
| fleemde | verleden tijd |
| fleme | aanvoegende wijs |
| flemend | onvoltooid, deelwoord |
| gefleemd | verleden tijd, deelwoord |
| gefleemd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gefleemd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gefleemd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gefleemd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gefleemd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gefleemd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gefleemd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gefleemd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gefleemd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gefleemd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gefleemd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gefleemd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gefleemd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gefleemd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gefleemd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gefleemd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gefleemd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te flemen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gefleemd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen flemen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal flemen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal flemen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal flemen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gefleemd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gefleemd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gefleemd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou flemen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou flemen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou flemen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gefleemd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gefleemd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gefleemd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden flemen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden flemen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden flemen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gefleemd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gefleemd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gefleemd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt flemen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gefleemd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen flemen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen flemen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen flemen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen flemen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gefleemd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gefleemd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gefleemd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult flemen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gefleemd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘vleien’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1624
Woordfamilie van flemen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| fleem | gebiedende wijs | flemen |
| fleemde | verleden tijd | flemen |
| fleemden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | flemen |
| fleemt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | flemen |
| fleme | aanvoegende wijs | flemen |
| flemend | onvoltooid deelwoord | flemen |
| flemende | woordvorm | flemen |
| gefleemd | voltooid deelwoord | flemen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van flemen zijn vastgelegd.