flecteren
werkwoordBetekenis
- verbuigen, vervoegen
- buigen, flexie bezitten
Vervoeging van flecteren
flecterenhele werkwoord — flecteerdeverleden tijd enkelvoud — flecteerdenverleden tijd meervoud — geflecteerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | flecteer | flecteerde |
| jij | flecteert | flecteerde |
| hij, zij, het | flecteert | flecteerde |
| wij | flecteren | flecteerden |
| jullie | flecteren | flecteerden |
| zij | flecteren | flecteerden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is geflecteerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geflecteerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geflecteerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geflecteerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geflecteerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geflecteerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geflecteerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geflecteerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| flecteer | gebiedende wijs |
| flecteerde | verleden tijd |
| flectere | aanvoegende wijs |
| flecterend | onvoltooid, deelwoord |
| geflecteerd | verleden tijd, deelwoord |
| geflecteerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geflecteerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geflecteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geflecteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geflecteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geflecteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geflecteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geflecteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geflecteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geflecteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geflecteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geflecteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geflecteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geflecteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geflecteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geflecteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geflecteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te flecteren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geflecteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen flecteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal flecteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal flecteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal flecteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geflecteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geflecteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geflecteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou flecteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou flecteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou flecteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geflecteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geflecteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geflecteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden flecteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden flecteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden flecteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geflecteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geflecteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geflecteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt flecteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geflecteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen flecteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen flecteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen flecteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen flecteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geflecteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geflecteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geflecteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult flecteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geflecteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘verbuigen’ voor het eerst aangetroffen in 1650
Woordfamilie van flecteren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| flecteer | gebiedende wijs | flecteren |
| flecteerde | verleden tijd | flecteren |
| flecteerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | flecteren |
| flecteert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | flecteren |
| flectere | aanvoegende wijs | flecteren |
| flecterend | onvoltooid deelwoord | flecteren |
| flecterende | woordvorm | flecteren |
| geflecteerd | voltooid deelwoord | flecteren |
| geflecteerde | woordvorm | flecteren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van flecteren zijn vastgelegd.