flansen
werkwoordBetekenis
- slordig in elkaar zetten.
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van flansen
flansenhele werkwoord — flansteverleden tijd enkelvoud — flanstenverleden tijd meervoud — geflanstvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | flans | flanste |
| jij | flanst | flanste |
| hij, zij, het | flanst | flanste |
| wij | flansen | flansten |
| jullie | flansen | flansten |
| zij | flansen | flansten |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is geflanst | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geflanst | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geflanst | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geflanst | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geflanst worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geflanst zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geflanst worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geflanst zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| flans | gebiedende wijs |
| flanse | aanvoegende wijs |
| flansend | onvoltooid, deelwoord |
| flanste | verleden tijd |
| geflanst | verleden tijd, deelwoord |
| geflanst te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geflanst zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geflanst | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geflanst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geflanst | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geflanst | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geflanst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geflanst | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geflanst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geflanst | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geflanst | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geflanst | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geflanst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geflanst | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geflanst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geflanst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geflanst | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te flansen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geflanst | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen flansen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal flansen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal flansen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal flansen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geflanst hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geflanst hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geflanst hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou flansen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou flansen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou flansen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geflanst hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geflanst hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geflanst hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden flansen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden flansen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden flansen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geflanst hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geflanst hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geflanst hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt flansen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geflanst hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen flansen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen flansen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen flansen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen flansen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geflanst hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geflanst hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geflanst hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult flansen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geflanst hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘haastig in elkaar zetten’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1625
Woordfamilie van flansen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| flanse | aanvoegende wijs | flansen |
| flansend | onvoltooid deelwoord | flansen |
| flansende | woordvorm | flansen |
| flanst | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | flansen |
| flanste | verleden tijd | flansen |
| flansten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | flansen |
| geflanst | voltooid deelwoord | flansen |
| geflanste | woordvorm | flansen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van flansen zijn vastgelegd.