fladderen
werkwoordBetekenis
- flutter, vorm van hartritme, waarbij de boezems of kamers zich zeer snel ritmisch samentrekken
- onhandig heen en weer vliegen met veel vleugelgeklap
- onhandig met veel vleugelgeklap zich ergens heen begeven
- met groot gemak voortbewegen
Vervoeging van fladderen
fladderenhele werkwoord — fladderdeverleden tijd enkelvoud — fladderdenverleden tijd meervoud — gefladderdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | fladder | fladderde |
| jij | fladdert | fladderde |
| hij, zij, het | fladdert | fladderde |
| wij | fladderen | fladderden |
| jullie | fladderen | fladderden |
| zij | fladderen | fladderden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| fladder | gebiedende wijs |
| fladderde | verleden tijd |
| fladdere | aanvoegende wijs |
| fladderend | onvoltooid, deelwoord |
| gefladderd | verleden tijd, deelwoord |
| gefladderd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gefladderd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gefladderd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gefladderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gefladderd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gefladderd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gefladderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gefladderd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gefladderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gefladderd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gefladderd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gefladderd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gefladderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gefladderd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gefladderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gefladderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gefladderd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te fladderen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gefladderd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen fladderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal fladderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal fladderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal fladderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gefladderd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gefladderd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gefladderd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou fladderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou fladderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou fladderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gefladderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gefladderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gefladderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden fladderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden fladderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden fladderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gefladderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gefladderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gefladderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt fladderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gefladderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen fladderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen fladderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen fladderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen fladderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gefladderd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gefladderd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gefladderd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult fladderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gefladderd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘vlinderen, wapperen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1755
Woordfamilie van fladderen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| fladder | gebiedende wijs | fladderen |
| fladderde | verleden tijd | fladderen |
| fladderden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | fladderen |
| fladdere | aanvoegende wijs | fladderen |
| fladdert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | fladderen |
| gefladderd | voltooid deelwoord | fladderen |
| gefladderde | woordvorm | fladderen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van fladderen zijn vastgelegd.