fineren
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- met fineer bekleden
- zuiveren
Vervoeging van fineren
finerenhele werkwoord — fineerdeverleden tijd enkelvoud — fineerdenverleden tijd meervoud — gefineerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | fineer | fineerde |
| jij | fineert | fineerde |
| hij, zij, het | fineert | fineerde |
| wij | fineren | fineerden |
| jullie | fineren | fineerden |
| zij | fineren | fineerden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gefineerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gefineerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gefineerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gefineerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gefineerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gefineerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gefineerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gefineerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| fineer | gebiedende wijs |
| fineerde | verleden tijd |
| finere | aanvoegende wijs |
| finerend | onvoltooid, deelwoord |
| gefineerd | verleden tijd, deelwoord |
| gefineerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gefineerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gefineerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gefineerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gefineerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gefineerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gefineerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gefineerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gefineerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gefineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gefineerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gefineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gefineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gefineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gefineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gefineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gefineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te fineren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gefineerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen fineren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal fineren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal fineren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal fineren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gefineerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gefineerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gefineerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou fineren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou fineren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou fineren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gefineerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gefineerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gefineerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden fineren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden fineren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden fineren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gefineerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gefineerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gefineerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt fineren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gefineerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen fineren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen fineren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen fineren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen fineren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gefineerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gefineerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gefineerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult fineren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gefineerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord fineer
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘met fineer beleggen’ voor het eerst aangetroffen in 1879
Woordfamilie van fineren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| fineerde | verleden tijd | fineren |
| fineerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | fineren |
| fineert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | fineren |
| finere | aanvoegende wijs | fineren |
| finerend | onvoltooid deelwoord | fineren |
| finerende | woordvorm | fineren |
| gefineerd | voltooid deelwoord | fineren |
| gefineerde | woordvorm | fineren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van fineren zijn vastgelegd.