fikfakken
werkwoord ˈfɪkfɑkə(n)Betekenis
- verliefd zitten praten of verliefd aanraken
- tijd verdoen
- speels een beetje vechten
- zich druk maken zonder dat het nut heeft, op een verkeerde manier bezig zijn
Hoe spreek je fikfakken uit?
/ˈfɪkfɑkən/
Fikfakken bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| f | fiets |
| ɪ | pit |
| k | kat |
| ɑ | bad |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van fikfakken
fikfakkenhele werkwoord — fikfakteverleden tijd enkelvoud — fikfaktenverleden tijd meervoud — gefikfaktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | fikfak | fikfakte |
| jij | fikfakt | fikfakte |
| hij, zij, het | fikfakt | fikfakte |
| wij | fikfakken | fikfakten |
| jullie | fikfakken | fikfakten |
| zij | fikfakken | fikfakten |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| fikfak | gebiedende wijs |
| fikfakke | aanvoegende wijs |
| fikfakkend | onvoltooid, deelwoord |
| fikfakte | verleden tijd |
| gefikfakt | verleden tijd, deelwoord |
| gefikfakt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gefikfakt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gefikfakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gefikfakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gefikfakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gefikfakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gefikfakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gefikfakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gefikfakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gefikfakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gefikfakt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gefikfakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gefikfakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gefikfakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gefikfakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gefikfakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gefikfakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te fikfakken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gefikfakt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen fikfakken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal fikfakken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal fikfakken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal fikfakken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gefikfakt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gefikfakt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gefikfakt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou fikfakken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou fikfakken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou fikfakken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gefikfakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gefikfakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gefikfakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden fikfakken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden fikfakken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden fikfakken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gefikfakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gefikfakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gefikfakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt fikfakken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gefikfakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen fikfakken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen fikfakken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen fikfakken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen fikfakken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gefikfakt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gefikfakt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gefikfakt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult fikfakken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gefikfakt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
van Duits fickfacken ww "heen en weer lopen, uitvluchten zoeken, tegensputteren, geintjes uithalen", in de betekenis "verliefd zitten praten" aangetroffen vanaf 1636-1638
Woordfamilie van fikfakken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| fikfak | gebiedende wijs | fikfakken |
| fikfakke | aanvoegende wijs | fikfakken |
| fikfakkend | onvoltooid deelwoord | fikfakken |
| fikfakkende | woordvorm | fikfakken |
| fikfakt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | fikfakken |
| fikfakte | verleden tijd | fikfakken |
| fikfakten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | fikfakken |
| gefikfakt | voltooid deelwoord | fikfakken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van fikfakken zijn vastgelegd.