Naar de inhoud

falsifiëren

de ongeldigheid van een theorie (proefondervindelijk) aantonen

falsifiëren

werkwoord

Betekenis

  1. de ongeldigheid van een theorie (proefondervindelijk) aantonen
  2. vervalsen

Vervoeging van falsifiëren

falsifiërenhele werkwoord — falsifieerdeverleden tijd enkelvoud — falsifieerdenverleden tijd meervoud — gefalsifieerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik falsifieer falsifieerde
jij falsifieert falsifieerde
hij, zij, het falsifieert falsifieerde
wij falsifiëren falsifieerden
jullie falsifiëren falsifieerden
zij falsifiëren falsifieerden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben gefalsifieerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gefalsifieerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is gefalsifieerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gefalsifieerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gefalsifieerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gefalsifieerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gefalsifieerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gefalsifieerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gefalsifieerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gefalsifieerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
falsifieer gebiedende wijs
falsifieerde verleden tijd
falsifiëre aanvoegende wijs
falsifiërend onvoltooid, deelwoord
gefalsifieerd verleden tijd, deelwoord
gefalsifieerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gefalsifieerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gefalsifieerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gefalsifieerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gefalsifieerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gefalsifieerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gefalsifieerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gefalsifieerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gefalsifieerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gefalsifieerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gefalsifieerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gefalsifieerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gefalsifieerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gefalsifieerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gefalsifieerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gefalsifieerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gefalsifieerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gefalsifieerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gefalsifieerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gefalsifieerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gefalsifieerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gefalsifieerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gefalsifieerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gefalsifieerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gefalsifieerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gefalsifieerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gefalsifieerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te falsifiëren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben gefalsifieerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen falsifiëren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gefalsifieerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gefalsifieerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gefalsifieerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gefalsifieerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gefalsifieerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gefalsifieerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gefalsifieerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gefalsifieerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gefalsifieerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gefalsifieerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gefalsifieerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gefalsifieerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gefalsifieerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gefalsifieerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gefalsifieerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gefalsifieerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gefalsifieerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gefalsifieerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gefalsifieerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gefalsifieerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal falsifiëren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal falsifiëren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal falsifiëren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal gefalsifieerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gefalsifieerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gefalsifieerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gefalsifieerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gefalsifieerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gefalsifieerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gefalsifieerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn gefalsifieerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gefalsifieerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gefalsifieerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gefalsifieerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou falsifiëren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou falsifiëren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou falsifiëren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou gefalsifieerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gefalsifieerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gefalsifieerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gefalsifieerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gefalsifieerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gefalsifieerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gefalsifieerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gefalsifieerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gefalsifieerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden falsifiëren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden falsifiëren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden falsifiëren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden gefalsifieerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gefalsifieerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gefalsifieerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gefalsifieerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gefalsifieerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gefalsifieerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gefalsifieerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gefalsifieerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gefalsifieerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt falsifiëren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt gefalsifieerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gefalsifieerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gefalsifieerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen falsifiëren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen falsifiëren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen falsifiëren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen falsifiëren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen gefalsifieerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gefalsifieerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gefalsifieerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gefalsifieerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen gefalsifieerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen gefalsifieerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gefalsifieerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gefalsifieerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gefalsifieerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult falsifiëren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult gefalsifieerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gefalsifieerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gefalsifieerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

afgeleid van het Franse falsifier (met het achtervoegsel -eren)

Woordfamilie van falsifiëren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
falsifieer gebiedende wijs falsifiëren
falsifieerde verleden tijd falsifiëren
falsifieerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon falsifiëren
falsifieert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon falsifiëren
falsifiëre aanvoegende wijs falsifiëren
falsifiërend onvoltooid deelwoord falsifiëren
falsifiërende woordvorm falsifiëren
gefalsifieerd voltooid deelwoord falsifiëren
gefalsifieerde woordvorm falsifiëren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van falsifiëren zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over falsifiëren

Wat betekent falsifiëren?
Falsifiëren is een werkwoord. Het woord betekent: de ongeldigheid van een theorie (proefondervindelijk) aantonen. Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je falsifiëren?
Je vervoegt falsifiëren als volgt: de tegenwoordige tijd is falsifieer, de verleden tijd is falsifieerde en het voltooid deelwoord is gefalsifieerd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord falsifiëren is 21 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. F 4
  2. A 1
  3. L 3
  4. S 2
  5. I 1
  6. F 4
  7. I 1
  8. E 1
  9. R 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 21 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

falsifiëren levert met Wordfeud minimaal 23 en maximaal 93 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. F 4
  2. A 1
  3. L 3
  4. S 2
  5. I 2
  6. F 4
  7. I 2
  8. E 1
  9. R 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 23 zonder bonus
  13. 93 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (F) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

falsifiëren in het kort

falsifiëren staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van falsifiëren zijn 75 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort falsifiëren bij een woordfamilie van 9 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

falsifiëren: de ongeldigheid van een theorie (proefondervindelijk) aantonen
Deel falsifiëren — standaardnederlands.nl