facelift
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈfeslɪftBetekenis
- cosmetische ingreep van de chirurgie ter verfraaiing van het gezicht
Hoe spreek je facelift uit?
/ˈfeslɪft/
Facelift bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| f | fiets |
| e | veel |
| s | sok |
| l | land |
| ɪ | pit |
| t | tak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| faceliftje | verkleinwoord, enkelvoud |
| faceliftjes | verkleinwoord, meervoud |
| facelifts | meervoud |
Woordvorm
- enkelvoud tegenwoordige tijd van faceliften
- gebiedende wijs van faceliften
Vervoeging van facelift
facelifthele werkwoord
Herkomst
van Engels facelift, in de betekenis van ‘het optrekken van gezichtshuid’ voor het eerst aangetroffen in 1937
Woordfamilie van facelift
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| faceliftje | verkleinwoord | facelift |
| faceliftjes | verkleinwoord meervoud | facelift |
| facelifts | meervoud | facelift |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van facelift zijn vastgelegd.