f-sleutel
zelfstandig naamwoord ˈɛfsløtəlBetekenis
- één van drie, bij de voortekening van een notenbalk behorende aanwijzers, die een lijn voor een bepaalde toon markeren, in dit geval de toon 'f'. De overige lijnen zijn daardoor tevens bepaald. De aanwijzing geldt tot de laatste maatstreep, tenzij voordien anders aangegeven
Hoe spreek je f-sleutel uit?
/ˈɛfsløtəl/
F-sleutel bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɛ | bed |
| f | fiets |
| s | sok |
| l | land |
| ø | deur |
| t | tak |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- één van drie, bij de voortekening van een notenbalk behorende aanwijzers, die een lijn voor een bepaalde toon markeren, in dit geval de toon 'f' De overige lijnen zijn daardoor tevens bepaald. De aanwijzing geldt tot de laatste maatstreep, tenzij voordien anders aangegeven
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| f-sleutels | meervoud |
| f-sleuteltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| f-sleuteltjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van f zn en sleutel zn , geschreven met een koppelteken volgens spellingregel 6.G
Woordfamilie van f-sleutel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| f-sleutels | meervoud | f-sleutel |
| f-sleuteltje | verkleinwoord | f-sleutel |
| f-sleuteltjes | verkleinwoord meervoud | f-sleutel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van f-sleutel zijn vastgelegd.