extrapoleren
werkwoordBetekenis
- uit bekende termen van een reeks (een benadering van) daarbuiten gelegen termen berekenen
- doorberekenen
- ervaringsgegevens toepassen op een ander gebied
Vervoeging van extrapoleren
extrapolerenhele werkwoord — extrapoleerdeverleden tijd enkelvoud — extrapoleerdenverleden tijd meervoud — geëxtrapoleerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | extrapoleer | extrapoleerde |
| jij | extrapoleert | extrapoleerde |
| hij, zij, het | extrapoleert | extrapoleerde |
| wij | extrapoleren | extrapoleerden |
| jullie | extrapoleren | extrapoleerden |
| zij | extrapoleren | extrapoleerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben geëxtrapoleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geëxtrapoleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is geëxtrapoleerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geëxtrapoleerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geëxtrapoleerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geëxtrapoleerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geëxtrapoleerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geëxtrapoleerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geëxtrapoleerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geëxtrapoleerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| extrapoleer | gebiedende wijs |
| extrapoleerde | verleden tijd |
| extrapolere | aanvoegende wijs |
| extrapolerend | onvoltooid, deelwoord |
| geëxtrapoleerd | verleden tijd, deelwoord |
| geëxtrapoleerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geëxtrapoleerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geëxtrapoleerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geëxtrapoleerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geëxtrapoleerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geëxtrapoleerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geëxtrapoleerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geëxtrapoleerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geëxtrapoleerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geëxtrapoleerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geëxtrapoleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geëxtrapoleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geëxtrapoleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geëxtrapoleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geëxtrapoleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geëxtrapoleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geëxtrapoleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geëxtrapoleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geëxtrapoleerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geëxtrapoleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geëxtrapoleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geëxtrapoleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geëxtrapoleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geëxtrapoleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geëxtrapoleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is geëxtrapoleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geëxtrapoleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te extrapoleren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geëxtrapoleerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen extrapoleren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geëxtrapoleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geëxtrapoleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geëxtrapoleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geëxtrapoleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geëxtrapoleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geëxtrapoleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geëxtrapoleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geëxtrapoleerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geëxtrapoleerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geëxtrapoleerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geëxtrapoleerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geëxtrapoleerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geëxtrapoleerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geëxtrapoleerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geëxtrapoleerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geëxtrapoleerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geëxtrapoleerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geëxtrapoleerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geëxtrapoleerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geëxtrapoleerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal extrapoleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal extrapoleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal extrapoleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geëxtrapoleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geëxtrapoleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geëxtrapoleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geëxtrapoleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geëxtrapoleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geëxtrapoleerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geëxtrapoleerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn geëxtrapoleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geëxtrapoleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geëxtrapoleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geëxtrapoleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou extrapoleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou extrapoleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou extrapoleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geëxtrapoleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geëxtrapoleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geëxtrapoleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geëxtrapoleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geëxtrapoleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geëxtrapoleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geëxtrapoleerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geëxtrapoleerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geëxtrapoleerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden extrapoleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden extrapoleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden extrapoleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geëxtrapoleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geëxtrapoleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geëxtrapoleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geëxtrapoleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geëxtrapoleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geëxtrapoleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geëxtrapoleerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geëxtrapoleerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geëxtrapoleerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt extrapoleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geëxtrapoleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geëxtrapoleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geëxtrapoleerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen extrapoleren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen extrapoleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen extrapoleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen extrapoleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geëxtrapoleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geëxtrapoleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geëxtrapoleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geëxtrapoleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen geëxtrapoleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen geëxtrapoleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geëxtrapoleerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geëxtrapoleerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geëxtrapoleerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult extrapoleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geëxtrapoleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geëxtrapoleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geëxtrapoleerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘uit bekende termen daarbuiten liggende termen berekenen’ voor het eerst aangetroffen in 1925
Woordfamilie van extrapoleren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| extrapoleer | gebiedende wijs | extrapoleren |
| extrapoleerde | verleden tijd | extrapoleren |
| extrapoleerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | extrapoleren |
| extrapoleert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | extrapoleren |
| extrapolere | aanvoegende wijs | extrapoleren |
| extrapolerend | onvoltooid deelwoord | extrapoleren |
| extrapolerende | woordvorm | extrapoleren |
| geëxtrapoleerd | voltooid deelwoord | extrapoleren |
| geëxtrapoleerde | woordvorm | extrapoleren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van extrapoleren zijn vastgelegd.