Naar de inhoud

extrapoleren

uit bekende termen van een reeks (een benadering van) daarbuiten gelegen termen berekenen

extrapoleren

werkwoord

Betekenis

  1. uit bekende termen van een reeks (een benadering van) daarbuiten gelegen termen berekenen
  2. doorberekenen
  3. ervaringsgegevens toepassen op een ander gebied

Vervoeging van extrapoleren

extrapolerenhele werkwoord — extrapoleerdeverleden tijd enkelvoud — extrapoleerdenverleden tijd meervoud — geëxtrapoleerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik extrapoleer extrapoleerde
jij extrapoleert extrapoleerde
hij, zij, het extrapoleert extrapoleerde
wij extrapoleren extrapoleerden
jullie extrapoleren extrapoleerden
zij extrapoleren extrapoleerden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben geëxtrapoleerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent geëxtrapoleerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is geëxtrapoleerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was geëxtrapoleerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd geëxtrapoleerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt geëxtrapoleerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal geëxtrapoleerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal geëxtrapoleerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou geëxtrapoleerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou geëxtrapoleerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
extrapoleer gebiedende wijs
extrapoleerde verleden tijd
extrapolere aanvoegende wijs
extrapolerend onvoltooid, deelwoord
geëxtrapoleerd verleden tijd, deelwoord
geëxtrapoleerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geëxtrapoleerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geëxtrapoleerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geëxtrapoleerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
geëxtrapoleerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geëxtrapoleerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geëxtrapoleerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geëxtrapoleerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
geëxtrapoleerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
geëxtrapoleerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geëxtrapoleerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geëxtrapoleerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geëxtrapoleerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geëxtrapoleerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geëxtrapoleerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geëxtrapoleerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geëxtrapoleerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geëxtrapoleerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geëxtrapoleerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geëxtrapoleerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geëxtrapoleerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geëxtrapoleerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geëxtrapoleerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geëxtrapoleerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geëxtrapoleerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is geëxtrapoleerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is geëxtrapoleerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te extrapoleren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben geëxtrapoleerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen extrapoleren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart geëxtrapoleerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geëxtrapoleerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren geëxtrapoleerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geëxtrapoleerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was geëxtrapoleerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was geëxtrapoleerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was geëxtrapoleerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd geëxtrapoleerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd geëxtrapoleerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd geëxtrapoleerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden geëxtrapoleerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden geëxtrapoleerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden geëxtrapoleerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt geëxtrapoleerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word geëxtrapoleerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden geëxtrapoleerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden geëxtrapoleerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden geëxtrapoleerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt geëxtrapoleerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt geëxtrapoleerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal extrapoleren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal extrapoleren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal extrapoleren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal geëxtrapoleerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geëxtrapoleerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geëxtrapoleerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal geëxtrapoleerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geëxtrapoleerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal geëxtrapoleerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geëxtrapoleerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn geëxtrapoleerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn geëxtrapoleerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn geëxtrapoleerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt geëxtrapoleerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou extrapoleren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou extrapoleren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou extrapoleren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou geëxtrapoleerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geëxtrapoleerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geëxtrapoleerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou geëxtrapoleerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geëxtrapoleerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou geëxtrapoleerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geëxtrapoleerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geëxtrapoleerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geëxtrapoleerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden extrapoleren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden extrapoleren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden extrapoleren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden geëxtrapoleerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geëxtrapoleerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geëxtrapoleerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geëxtrapoleerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden geëxtrapoleerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden geëxtrapoleerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geëxtrapoleerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geëxtrapoleerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geëxtrapoleerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt extrapoleren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt geëxtrapoleerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geëxtrapoleerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geëxtrapoleerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen extrapoleren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen extrapoleren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen extrapoleren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen extrapoleren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen geëxtrapoleerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geëxtrapoleerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geëxtrapoleerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geëxtrapoleerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen geëxtrapoleerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen geëxtrapoleerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geëxtrapoleerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geëxtrapoleerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geëxtrapoleerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult extrapoleren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult geëxtrapoleerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geëxtrapoleerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geëxtrapoleerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

In de betekenis van ‘uit bekende termen daarbuiten liggende termen berekenen’ voor het eerst aangetroffen in 1925

Woordfamilie van extrapoleren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
extrapoleer gebiedende wijs extrapoleren
extrapoleerde verleden tijd extrapoleren
extrapoleerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon extrapoleren
extrapoleert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon extrapoleren
extrapolere aanvoegende wijs extrapoleren
extrapolerend onvoltooid deelwoord extrapoleren
extrapolerende woordvorm extrapoleren
geëxtrapoleerd voltooid deelwoord extrapoleren
geëxtrapoleerde woordvorm extrapoleren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van extrapoleren zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over extrapoleren

Wat betekent extrapoleren?
Extrapoleren is een werkwoord. Het woord betekent: uit bekende termen van een reeks (een benadering van) daarbuiten gelegen termen berekenen. Deze pagina beschrijft 3 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je extrapoleren?
Je vervoegt extrapoleren als volgt: de tegenwoordige tijd is extrapoleer, de verleden tijd is extrapoleerde en het voltooid deelwoord is geëxtrapoleerd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord extrapoleren is 26 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. E 1
  2. X 8
  3. T 2
  4. R 2
  5. A 1
  6. P 3
  7. O 1
  8. L 3
  9. E 1
  10. R 2
  11. E 1
  12. N 1
  13. 26 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

extrapoleren levert met Wordfeud minimaal 27 en maximaal 129 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. E 1
  2. X 8
  3. T 2
  4. R 2
  5. A 1
  6. P 4
  7. O 1
  8. L 3
  9. E 1
  10. R 2
  11. E 1
  12. N 1
  13. 27 zonder bonus
  14. 129 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (X) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

extrapoleren in het kort

extrapoleren staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 3 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van extrapoleren zijn 75 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort extrapoleren bij een woordfamilie van 9 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

extrapoleren: uit bekende termen van een reeks (een benadering van) daarbuiten gelegen termen berekenen
Deel extrapoleren — standaardnederlands.nl