expireren
werkwoordBetekenis
- uitademen
- sterven
- aflopen, eindigen
Vervoeging van expireren
expirerenhele werkwoord — expireerdeverleden tijd enkelvoud — expireerdenverleden tijd meervoud — geëxpireerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | expireer | expireerde |
| jij | expireert | expireerde |
| hij, zij, het | expireert | expireerde |
| wij | expireren | expireerden |
| jullie | expireren | expireerden |
| zij | expireren | expireerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben geëxpireerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geëxpireerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is geëxpireerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geëxpireerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geëxpireerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geëxpireerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geëxpireerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geëxpireerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geëxpireerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geëxpireerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| expireer | gebiedende wijs |
| expireerde | verleden tijd |
| expirere | aanvoegende wijs |
| expirerend | onvoltooid, deelwoord |
| geëxpireerd | verleden tijd, deelwoord |
| geëxpireerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geëxpireerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geëxpireerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geëxpireerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geëxpireerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geëxpireerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geëxpireerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geëxpireerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geëxpireerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geëxpireerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geëxpireerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geëxpireerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geëxpireerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geëxpireerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geëxpireerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geëxpireerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geëxpireerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geëxpireerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geëxpireerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geëxpireerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geëxpireerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geëxpireerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geëxpireerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geëxpireerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geëxpireerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is geëxpireerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geëxpireerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te expireren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geëxpireerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen expireren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geëxpireerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geëxpireerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geëxpireerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geëxpireerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geëxpireerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geëxpireerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geëxpireerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geëxpireerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geëxpireerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geëxpireerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geëxpireerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geëxpireerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geëxpireerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geëxpireerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geëxpireerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geëxpireerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geëxpireerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geëxpireerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geëxpireerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geëxpireerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal expireren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal expireren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal expireren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geëxpireerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geëxpireerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geëxpireerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geëxpireerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geëxpireerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geëxpireerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geëxpireerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn geëxpireerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geëxpireerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geëxpireerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geëxpireerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou expireren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou expireren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou expireren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geëxpireerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geëxpireerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geëxpireerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geëxpireerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geëxpireerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geëxpireerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geëxpireerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geëxpireerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geëxpireerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden expireren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden expireren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden expireren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geëxpireerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geëxpireerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geëxpireerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geëxpireerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geëxpireerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geëxpireerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geëxpireerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geëxpireerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geëxpireerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt expireren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geëxpireerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geëxpireerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geëxpireerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen expireren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen expireren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen expireren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen expireren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geëxpireerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geëxpireerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geëxpireerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geëxpireerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen geëxpireerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen geëxpireerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geëxpireerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geëxpireerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geëxpireerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult expireren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geëxpireerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geëxpireerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geëxpireerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘eindigen, aflopen’ voor het eerst aangetroffen in 1450
Woordfamilie van expireren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| expireer | gebiedende wijs | expireren |
| expireerde | verleden tijd | expireren |
| expireerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | expireren |
| expireert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | expireren |
| expirere | aanvoegende wijs | expireren |
| expirerend | onvoltooid deelwoord | expireren |
| expirerende | woordvorm | expireren |
| geëxpireerd | voltooid deelwoord | expireren |
| geëxpireerde | woordvorm | expireren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van expireren zijn vastgelegd.