expediëren
werkwoordBetekenis
- afzenden, verzenden, versturen
Vervoeging van expediëren
expediërenhele werkwoord — expedieerdeverleden tijd enkelvoud — expedieerdenverleden tijd meervoud — geëxpedieerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | expedieer | expedieerde |
| jij | expedieert | expedieerde |
| hij, zij, het | expedieert | expedieerde |
| wij | expediëren | expedieerden |
| jullie | expediëren | expedieerden |
| zij | expediëren | expedieerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben geëxpedieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geëxpedieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is geëxpedieerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geëxpedieerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geëxpedieerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geëxpedieerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geëxpedieerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geëxpedieerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geëxpedieerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geëxpedieerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| expedieer | gebiedende wijs |
| expedieerde | verleden tijd |
| expediëre | aanvoegende wijs |
| expediërend | onvoltooid, deelwoord |
| geëxpedieerd | verleden tijd, deelwoord |
| geëxpedieerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geëxpedieerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geëxpedieerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geëxpedieerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geëxpedieerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geëxpedieerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geëxpedieerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geëxpedieerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geëxpedieerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geëxpedieerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geëxpedieerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geëxpedieerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geëxpedieerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geëxpedieerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geëxpedieerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geëxpedieerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geëxpedieerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geëxpedieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geëxpedieerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geëxpedieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geëxpedieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geëxpedieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geëxpedieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geëxpedieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geëxpedieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is geëxpedieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geëxpedieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te expediëren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geëxpedieerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen expediëren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geëxpedieerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geëxpedieerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geëxpedieerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geëxpedieerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geëxpedieerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geëxpedieerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geëxpedieerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geëxpedieerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geëxpedieerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geëxpedieerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geëxpedieerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geëxpedieerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geëxpedieerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geëxpedieerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geëxpedieerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geëxpedieerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geëxpedieerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geëxpedieerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geëxpedieerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geëxpedieerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal expediëren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal expediëren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal expediëren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geëxpedieerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geëxpedieerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geëxpedieerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geëxpedieerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geëxpedieerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geëxpedieerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geëxpedieerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn geëxpedieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geëxpedieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geëxpedieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geëxpedieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou expediëren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou expediëren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou expediëren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geëxpedieerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geëxpedieerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geëxpedieerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geëxpedieerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geëxpedieerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geëxpedieerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geëxpedieerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geëxpedieerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geëxpedieerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden expediëren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden expediëren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden expediëren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geëxpedieerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geëxpedieerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geëxpedieerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geëxpedieerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geëxpedieerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geëxpedieerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geëxpedieerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geëxpedieerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geëxpedieerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt expediëren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geëxpedieerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geëxpedieerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geëxpedieerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen expediëren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen expediëren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen expediëren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen expediëren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geëxpedieerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geëxpedieerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geëxpedieerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geëxpedieerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen geëxpedieerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen geëxpedieerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geëxpedieerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geëxpedieerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geëxpedieerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult expediëren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geëxpedieerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geëxpedieerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geëxpedieerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van het Franse expédier (met het achtervoegsel -eren)
Woordfamilie van expediëren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| expedieer | gebiedende wijs | expediëren |
| expedieerde | verleden tijd | expediëren |
| expedieerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | expediëren |
| expedieert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | expediëren |
| expediëre | aanvoegende wijs | expediëren |
| expediërend | onvoltooid deelwoord | expediëren |
| expediërende | woordvorm | expediëren |
| geëxpedieerd | voltooid deelwoord | expediëren |
| geëxpedieerde | woordvorm | expediëren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van expediëren zijn vastgelegd.