expanderen
werkwoordBetekenis
- in volume toenemen, zich uitbreiden
Vervoeging van expanderen
expanderenhele werkwoord — expandeerdeverleden tijd enkelvoud — expandeerdenverleden tijd meervoud — geëxpandeerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | expandeer | expandeerde |
| jij | expandeert | expandeerde |
| hij, zij, het | expandeert | expandeerde |
| wij | expanderen | expandeerden |
| jullie | expanderen | expandeerden |
| zij | expanderen | expandeerden |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben geëxpandeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geëxpandeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| expandeer | gebiedende wijs |
| expandeerde | verleden tijd |
| expandere | aanvoegende wijs |
| expanderend | onvoltooid, deelwoord |
| geëxpandeerd | verleden tijd, deelwoord |
| geëxpandeerd te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geëxpandeerd zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| is geëxpandeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geëxpandeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te expanderen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn geëxpandeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen expanderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geëxpandeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geëxpandeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geëxpandeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geëxpandeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geëxpandeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geëxpandeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geëxpandeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal expanderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal expanderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal expanderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geëxpandeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geëxpandeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geëxpandeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn geëxpandeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn geëxpandeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geëxpandeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geëxpandeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geëxpandeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou expanderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou expanderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou expanderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geëxpandeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geëxpandeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geëxpandeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden expanderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden expanderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden expanderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geëxpandeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geëxpandeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geëxpandeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt expanderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geëxpandeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen expanderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen expanderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen expanderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen expanderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geëxpandeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geëxpandeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geëxpandeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult expanderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geëxpandeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘uitbreiden’ voor het eerst aangetroffen in 1658
Woordfamilie van expanderen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| expandeer | gebiedende wijs | expanderen |
| expandeerde | verleden tijd | expanderen |
| expandeerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | expanderen |
| expandeert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | expanderen |
| expandere | aanvoegende wijs | expanderen |
| expanderend | onvoltooid deelwoord | expanderen |
| expanderende | woordvorm | expanderen |
| geëxpandeerd | voltooid deelwoord | expanderen |
| geëxpandeerde | woordvorm | expanderen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van expanderen zijn vastgelegd.