exhiberen
werkwoordBetekenis
- tentoonstellen, uitstallen
- overleggen|óverleggen (scheidbaar)
werkwoord
- óverleggen (scheidbaar)
Vervoeging van exhiberen
exhiberenhele werkwoord — exhibeerdeverleden tijd enkelvoud — exhibeerdenverleden tijd meervoud — geëxhibeerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | exhibeer | exhibeerde |
| jij | exhibeert | exhibeerde |
| hij, zij, het | exhibeert | exhibeerde |
| wij | exhiberen | exhibeerden |
| jullie | exhiberen | exhibeerden |
| zij | exhiberen | exhibeerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben geëxhibeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geëxhibeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is geëxhibeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geëxhibeerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geëxhibeerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geëxhibeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geëxhibeerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geëxhibeerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geëxhibeerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geëxhibeerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| exhibeer | gebiedende wijs |
| exhibeerde | verleden tijd |
| exhibere | aanvoegende wijs |
| exhiberend | onvoltooid, deelwoord |
| geëxhibeerd | verleden tijd, deelwoord |
| geëxhibeerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geëxhibeerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geëxhibeerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geëxhibeerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geëxhibeerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geëxhibeerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geëxhibeerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geëxhibeerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geëxhibeerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geëxhibeerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geëxhibeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geëxhibeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geëxhibeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geëxhibeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geëxhibeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geëxhibeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geëxhibeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geëxhibeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geëxhibeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geëxhibeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geëxhibeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geëxhibeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geëxhibeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geëxhibeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geëxhibeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is geëxhibeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geëxhibeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te exhiberen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geëxhibeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen exhiberen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geëxhibeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geëxhibeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geëxhibeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geëxhibeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geëxhibeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geëxhibeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geëxhibeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geëxhibeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geëxhibeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geëxhibeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geëxhibeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geëxhibeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geëxhibeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geëxhibeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geëxhibeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geëxhibeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geëxhibeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geëxhibeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geëxhibeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geëxhibeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal exhiberen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal exhiberen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal exhiberen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geëxhibeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geëxhibeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geëxhibeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geëxhibeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geëxhibeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geëxhibeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geëxhibeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn geëxhibeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geëxhibeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geëxhibeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geëxhibeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou exhiberen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou exhiberen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou exhiberen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geëxhibeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geëxhibeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geëxhibeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geëxhibeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geëxhibeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geëxhibeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geëxhibeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geëxhibeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geëxhibeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden exhiberen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden exhiberen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden exhiberen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geëxhibeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geëxhibeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geëxhibeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geëxhibeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geëxhibeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geëxhibeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geëxhibeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geëxhibeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geëxhibeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt exhiberen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geëxhibeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geëxhibeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geëxhibeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen exhiberen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen exhiberen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen exhiberen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen exhiberen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geëxhibeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geëxhibeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geëxhibeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geëxhibeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen geëxhibeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen geëxhibeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geëxhibeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geëxhibeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geëxhibeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult exhiberen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geëxhibeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geëxhibeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geëxhibeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van het Franse exhiber (met het voorvoegsel ex- en met het achtervoegsel -eren)
Woordfamilie van exhiberen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| exhibeer | gebiedende wijs | exhiberen |
| exhibeerde | verleden tijd | exhiberen |
| exhibeerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | exhiberen |
| exhibeert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | exhiberen |
| exhibere | aanvoegende wijs | exhiberen |
| exhiberend | onvoltooid deelwoord | exhiberen |
| exhiberende | woordvorm | exhiberen |
| geëxhibeerd | voltooid deelwoord | exhiberen |
| geëxhibeerde | woordvorm | exhiberen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van exhiberen zijn vastgelegd.