Naar de inhoud

excuseren

een verontschuldiging (excuus) uiten

excuseren

werkwoord

Betekenis

  1. een verontschuldiging (excuus) uiten
  2. zich ~ om begrip vragen voor zijn -gewoonlijk onbedoelde of opgelegde- gedrag
  3. afzien van aanmerkingen of straf

Vervoeging van excuseren

excuserenhele werkwoord — excuseerdeverleden tijd enkelvoud — excuseerdenverleden tijd meervoud — geëxcuseerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik excuseer excuseerde
jij excuseert excuseerde
hij, zij, het excuseert excuseerde
wij excuseren excuseerden
jullie excuseren excuseerden
zij excuseren excuseerden
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben geëxcuseerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent geëxcuseerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is geëxcuseerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was geëxcuseerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd geëxcuseerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt geëxcuseerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal geëxcuseerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal geëxcuseerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou geëxcuseerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou geëxcuseerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
excuseer gebiedende wijs
excuseer me eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
excuseer u/je , excuseert je gebiedende wijs
excuseerde verleden tijd
excuseerde je tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
excuseerde me eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud
excuseerde u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
excuseerde u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
excuseerde zich derde persoon, verleden tijd, enkelvoud
excuseerde zich/u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
excuseerde zich/u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
excuseerden je tweede persoon, verleden tijd, meervoud
excuseerden ons eerste persoon, verleden tijd, meervoud
excuseerden zich derde persoon, verleden tijd, meervoud
excuseert je tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
excuseert u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
excuseert u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
excuseert zich derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
excuseert zich/u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
excuseert zich/u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
excusere aanvoegende wijs
excusere zich aanvoegende wijs
excuseren je tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
excuseren ons eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
excuseren zich derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
excuserend onvoltooid, deelwoord
geëxcuseerd verleden tijd, deelwoord
geëxcuseerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geëxcuseerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geëxcuseerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geëxcuseerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
geëxcuseerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geëxcuseerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geëxcuseerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geëxcuseerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
geëxcuseerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
geëxcuseerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geëxcuseerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geëxcuseerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geëxcuseerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geëxcuseerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geëxcuseerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geëxcuseerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geëxcuseerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geëxcuseerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geëxcuseerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geëxcuseerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geëxcuseerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geëxcuseerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geëxcuseerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geëxcuseerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geëxcuseerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is geëxcuseerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is geëxcuseerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te excuseren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben geëxcuseerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen excuseren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart geëxcuseerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geëxcuseerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren geëxcuseerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geëxcuseerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was geëxcuseerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was geëxcuseerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was geëxcuseerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd geëxcuseerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd geëxcuseerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd geëxcuseerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden geëxcuseerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden geëxcuseerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden geëxcuseerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt geëxcuseerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word geëxcuseerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden geëxcuseerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden geëxcuseerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden geëxcuseerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt geëxcuseerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt geëxcuseerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal excuseren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal excuseren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal excuseren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal geëxcuseerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geëxcuseerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geëxcuseerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal geëxcuseerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geëxcuseerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal geëxcuseerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geëxcuseerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal me excuseren eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal zich excuseren derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je excuseren tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich excuserend onvoltooid, deelwoord
zich geëxcuseerd hebben verleden tijd
zijn geëxcuseerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn geëxcuseerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn geëxcuseerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt geëxcuseerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou excuseren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou excuseren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou excuseren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou geëxcuseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geëxcuseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geëxcuseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou geëxcuseerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geëxcuseerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou geëxcuseerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geëxcuseerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geëxcuseerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geëxcuseerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden excuseren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden excuseren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden excuseren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden geëxcuseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geëxcuseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geëxcuseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geëxcuseerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden geëxcuseerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden geëxcuseerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geëxcuseerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geëxcuseerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geëxcuseerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt excuseren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt geëxcuseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geëxcuseerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geëxcuseerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen excuseren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen excuseren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen excuseren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen excuseren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon

Herkomst

Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘verontschuldigen’ voor het eerst aangetroffen in 1353

Woordfamilie van excuseren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
excuseer gebiedende wijs excuseren
excuseerde verleden tijd excuseren
excuseerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon excuseren
excuseert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon excuseren
excusere aanvoegende wijs excuseren
excuserend onvoltooid deelwoord excuseren
excuserende woordvorm excuseren
geëxcuseerd voltooid deelwoord excuseren
geëxcuseerde woordvorm excuseren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van excuseren zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over excuseren

Wat is de betekenis van excuseren?
Excuseren is een werkwoord. De betekenis is: een verontschuldiging (excuus) uiten. In totaal staan er 3 betekenissen.
Hoe vervoeg ik excuseren?
Zo vervoeg je excuseren zo: de tegenwoordige tijd is excuseer, de verleden tijd is excuseerde en het voltooid deelwoord is geëxcuseerd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord excuseren is 25 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. E 1
  2. X 8
  3. C 5
  4. U 4
  5. S 2
  6. E 1
  7. R 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 25 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

excuseren levert met Wordfeud minimaal 23 en maximaal 117 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. E 1
  2. X 8
  3. C 5
  4. U 2
  5. S 2
  6. E 1
  7. R 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 23 zonder bonus
  11. 117 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (X) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

excuseren in het kort

excuseren staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 3 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van excuseren staan er 103 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort excuseren bij een woordfamilie van 9 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

excuseren: een verontschuldiging (excuus) uiten
Deel excuseren — standaardnederlands.nl