exciteren
werkwoordBetekenis
- in een aangeslagen toestand, een van hogere energie brengen
Vervoeging van exciteren
exciterenhele werkwoord — exciteerdeverleden tijd enkelvoud — exciteerdenverleden tijd meervoud — geëxciteerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | exciteer | exciteerde |
| jij | exciteert | exciteerde |
| hij, zij, het | exciteert | exciteerde |
| wij | exciteren | exciteerden |
| jullie | exciteren | exciteerden |
| zij | exciteren | exciteerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| exciteer | gebiedende wijs |
| exciteerde | verleden tijd |
| excitere | aanvoegende wijs |
| exciterend | onvoltooid, deelwoord |
| geëxciteerd | verleden tijd, deelwoord |
| geëxciteerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geëxciteerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geëxciteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geëxciteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geëxciteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geëxciteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geëxciteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geëxciteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geëxciteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geëxciteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geëxciteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geëxciteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geëxciteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geëxciteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geëxciteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geëxciteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geëxciteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te exciteren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geëxciteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen exciteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal exciteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal exciteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal exciteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geëxciteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geëxciteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geëxciteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou exciteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou exciteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou exciteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geëxciteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geëxciteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geëxciteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden exciteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden exciteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden exciteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geëxciteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geëxciteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geëxciteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt exciteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geëxciteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen exciteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen exciteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen exciteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen exciteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geëxciteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geëxciteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geëxciteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult exciteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geëxciteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van het Franse exciter (met het achtervoegsel -eren)
Woordfamilie van exciteren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| exciteer | gebiedende wijs | exciteren |
| exciteerde | verleden tijd | exciteren |
| exciteerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | exciteren |
| exciteert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | exciteren |
| excitere | aanvoegende wijs | exciteren |
| exciterend | onvoltooid deelwoord | exciteren |
| exciterende | woordvorm | exciteren |
| geëxciteerd | voltooid deelwoord | exciteren |
| geëxciteerde | woordvorm | exciteren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van exciteren zijn vastgelegd.