evolueren
werkwoordBetekenis
- aan een proces van geleidelijke veranderingen onderhevig zijn
Vervoeging van evolueren
evoluerenhele werkwoord — evolueerdeverleden tijd enkelvoud — evolueerdenverleden tijd meervoud — geëvolueerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | evolueer | evolueerde |
| jij | evolueert | evolueerde |
| hij, zij, het | evolueert | evolueerde |
| wij | evolueren | evolueerden |
| jullie | evolueren | evolueerden |
| zij | evolueren | evolueerden |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben geëvolueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geëvolueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| evolueer | gebiedende wijs |
| evolueerde | verleden tijd |
| evoluere | aanvoegende wijs |
| evoluerend | onvoltooid, deelwoord |
| geëvolueerd | verleden tijd, deelwoord |
| geëvolueerd te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geëvolueerd zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| is geëvolueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geëvolueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te evolueren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn geëvolueerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen evolueren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geëvolueerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geëvolueerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geëvolueerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geëvolueerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geëvolueerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geëvolueerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geëvolueerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal evolueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal evolueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal evolueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geëvolueerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geëvolueerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geëvolueerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn geëvolueerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn geëvolueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geëvolueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geëvolueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geëvolueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou evolueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou evolueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou evolueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geëvolueerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geëvolueerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geëvolueerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden evolueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden evolueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden evolueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geëvolueerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geëvolueerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geëvolueerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt evolueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geëvolueerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen evolueren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen evolueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen evolueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen evolueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geëvolueerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geëvolueerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geëvolueerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult evolueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geëvolueerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘ontwikkelen’ voor het eerst aangetroffen in 1824
Woordfamilie van evolueren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| evolueer | gebiedende wijs | evolueren |
| evolueerde | verleden tijd | evolueren |
| evolueerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | evolueren |
| evolueert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | evolueren |
| evoluere | aanvoegende wijs | evolueren |
| evoluerend | onvoltooid deelwoord | evolueren |
| evoluerende | woordvorm | evolueren |
| geëvolueerd | voltooid deelwoord | evolueren |
| geëvolueerde | woordvorm | evolueren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van evolueren zijn vastgelegd.