evalueren
werkwoordBetekenis
- Het schatten van het belang en de betekenis van een zaak.
- het achteraf beoordelen van wat goed en wat slecht gegaan is om het in de toekomst beter te doen
Vervoeging van evalueren
evaluerenhele werkwoord — evalueerdeverleden tijd enkelvoud — evalueerdenverleden tijd meervoud — geëvalueerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | evalueer | evalueerde |
| jij | evalueert | evalueerde |
| hij, zij, het | evalueert | evalueerde |
| wij | evalueren | evalueerden |
| jullie | evalueren | evalueerden |
| zij | evalueren | evalueerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben geëvalueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geëvalueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is geëvalueerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geëvalueerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geëvalueerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geëvalueerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geëvalueerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geëvalueerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geëvalueerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geëvalueerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| evalueer | gebiedende wijs |
| evalueerde | verleden tijd |
| evaluere | aanvoegende wijs |
| evaluerend | onvoltooid, deelwoord |
| geëvalueerd | verleden tijd, deelwoord |
| geëvalueerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geëvalueerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geëvalueerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geëvalueerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geëvalueerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geëvalueerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geëvalueerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geëvalueerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geëvalueerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geëvalueerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geëvalueerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geëvalueerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geëvalueerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geëvalueerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geëvalueerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geëvalueerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geëvalueerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geëvalueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geëvalueerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geëvalueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geëvalueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geëvalueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geëvalueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geëvalueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geëvalueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is geëvalueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geëvalueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te evalueren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geëvalueerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen evalueren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geëvalueerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geëvalueerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geëvalueerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geëvalueerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geëvalueerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geëvalueerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geëvalueerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geëvalueerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geëvalueerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geëvalueerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geëvalueerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geëvalueerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geëvalueerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geëvalueerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geëvalueerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geëvalueerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geëvalueerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geëvalueerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geëvalueerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geëvalueerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal evalueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal evalueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal evalueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geëvalueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geëvalueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geëvalueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geëvalueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geëvalueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geëvalueerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geëvalueerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn geëvalueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geëvalueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geëvalueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geëvalueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou evalueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou evalueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou evalueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geëvalueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geëvalueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geëvalueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geëvalueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geëvalueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geëvalueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geëvalueerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geëvalueerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geëvalueerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden evalueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden evalueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden evalueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geëvalueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geëvalueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geëvalueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geëvalueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geëvalueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geëvalueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geëvalueerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geëvalueerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geëvalueerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt evalueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geëvalueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geëvalueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geëvalueerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen evalueren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen evalueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen evalueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen evalueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geëvalueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geëvalueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geëvalueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geëvalueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen geëvalueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen geëvalueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geëvalueerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geëvalueerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geëvalueerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult evalueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geëvalueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geëvalueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geëvalueerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘schatten’ voor het eerst aangetroffen in 1650
Woordfamilie van evalueren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| evalueer | gebiedende wijs | evalueren |
| evalueerde | verleden tijd | evalueren |
| evalueerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | evalueren |
| evalueert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | evalueren |
| evaluere | aanvoegende wijs | evalueren |
| evaluerend | onvoltooid deelwoord | evalueren |
| evaluerende | woordvorm | evalueren |
| geëvalueerd | voltooid deelwoord | evalueren |
| geëvalueerde | woordvorm | evalueren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van evalueren zijn vastgelegd.