Naar de inhoud

eruitzien

het aanschijn hebben

eruitzien

werkwoord ɛˈrœytsin

Betekenis

  1. het aanschijn hebben

Hoe spreek je eruitzien uit?

/ɛˈrœytsin/

Eruitzien bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.

De tekens in /ɛˈrœytsin/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
ɛ bed
r rood
œy huis
t tak
s sok
i riet
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van eruitzien

eruitzienhele werkwoord — zag eruitverleden tijd enkelvoud — zagen eruitverleden tijd meervoud — eruitgezienvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik zie eruit zag eruit
jij ziet eruit zaagt eruit
hij, zij, het ziet eruit zag eruit
wij zien eruit zagen eruit
jullie zien eruit zagen eruit
zij zien eruit zagen eruit
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
eruit te zien actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
eruit te zullen zien actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
eruit zal zien bijzin, toekomende tijd
eruit zou zien bijzin, voorwaardelijk
eruit zouden zien bijzin, voorwaardelijk
eruit zoudt zien bijzin, voorwaardelijk
eruit zullen zien actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
eruit zullen zien bijzin, toekomende tijd
eruit zult zien bijzin, toekomende tijd
eruitgezien verleden tijd, deelwoord
eruitgezien te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
eruitgezien zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
eruitzaagt bijzin, verleden tijd
eruitzag bijzin, verleden tijd
eruitzagen bijzin, verleden tijd
eruitzie bijzin, tegenwoordige tijd
eruitziend onvoltooid, deelwoord
eruitziet bijzin, tegenwoordige tijd
ev. gebiedende wijs
had eruitgezien voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had eruitgezien voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had eruitgezien voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden eruitgezien voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden eruitgezien voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden eruitgezien voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt eruitgezien voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb eruitgezien voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben eruitgezien actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben eruitgezien voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben eruitgezien voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben eruitgezien voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt eruitgezien voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft eruitgezien voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft eruitgezien voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben eruitgezien actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen eruitzien actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zag eruit verleden tijd
zal eruitgezien hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal eruitgezien hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal eruitgezien hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal eruitzien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal eruitzien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal eruitzien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal eruitzien bijzin, toekomende tijd
zie eruit gebiedende wijs
zou eruitgezien hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou eruitgezien hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou eruitgezien hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou eruitzien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou eruitzien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou eruitzien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou eruitzien bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) eruitzien eruit zou(dt) zien bijzin, voorwaardelijk
zouden eruitgezien hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden eruitgezien hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden eruitgezien hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden eruitzien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden eruitzien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden eruitzien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden eruitzien bijzin, voorwaardelijk
zoudt eruitgezien hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt eruitzien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt eruitzien bijzin, voorwaardelijk
zullen eruitgezien hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen eruitgezien hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen eruitgezien hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen eruitzien actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen eruitzien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen eruitzien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen eruitzien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen eruitzien bijzin, toekomende tijd
zult eruitgezien hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult eruitzien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult eruitzien bijzin, toekomende tijd
zult/zal eruitzien eruit zult/zal zien bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van eruit en zien

Woordfamilie van eruitzien

Woordvorm Relatie Afgeleid van
eruitgezien voltooid deelwoord eruitzien
eruitgeziene woordvorm eruitzien
eruitzag subordinate-clause, verleden tijd eruitzien
eruitzagen subordinate-clause, verleden tijd eruitzien
eruitzie subordinate-clause, tegenwoordige tijd eruitzien
eruitziend onvoltooid deelwoord eruitzien
eruitziende woordvorm eruitzien
eruitziet subordinate-clause, tegenwoordige tijd eruitzien
zag eruit verleden tijd eruitzien
zagen eruit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon eruitzien
zie eruit gebiedende wijs eruitzien
zien eruit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon eruitzien
ziet eruit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon eruitzien

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van eruitzien zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over eruitzien

Hoe spreek je eruitzien uit?
De uitspraak van eruitzien is: /ɛˈrœytsin/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd.
Wat betekent eruitzien?
Eruitzien is een werkwoord. Het woord betekent: het aanschijn hebben.
Hoe vervoeg je eruitzien?
Je vervoegt eruitzien als volgt: het voltooid deelwoord is eruitgezien. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord eruitzien is 17 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. E 1
  2. R 2
  3. U 4
  4. I 1
  5. T 2
  6. Z 4
  7. I 1
  8. E 1
  9. N 1
  10. 17 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

eruitzien levert met Wordfeud minimaal 18 en maximaal 84 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. E 1
  2. R 2
  3. U 2
  4. I 2
  5. T 2
  6. Z 5
  7. I 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 zonder bonus
  11. 84 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (Z) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

eruitzien in het kort

eruitzien staat in dit woordenboek als werkwoord. Van eruitzien zijn 47 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort eruitzien bij een woordfamilie van 13 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

eruitzien: het aanschijn hebben
Deel eruitzien — standaardnederlands.nl