eroderen
werkwoordBetekenis
- door de schurende werking van wind of water afslijten
- door schuring doen afslijten
Vervoeging van eroderen
eroderenhele werkwoord — erodeerdeverleden tijd enkelvoud — erodeerdenverleden tijd meervoud — geërodeerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | erodeer | erodeerde |
| jij | erodeert | erodeerde |
| hij, zij, het | erodeert | erodeerde |
| wij | eroderen | erodeerden |
| jullie | eroderen | erodeerden |
| zij | eroderen | erodeerden |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben geërodeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geërodeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| erodeer | gebiedende wijs |
| erodeerde | verleden tijd |
| erodere | aanvoegende wijs |
| eroderend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| geërodeerd | verleden tijd, deelwoord |
| geërodeerd te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geërodeerd zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| is geërodeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geërodeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te eroderen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn geërodeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen eroderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geërodeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geërodeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geërodeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geërodeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geërodeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geërodeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geërodeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal eroderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal eroderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal eroderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geërodeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geërodeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geërodeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn geërodeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn geërodeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geërodeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geërodeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geërodeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou eroderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou eroderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou eroderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geërodeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geërodeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geërodeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden eroderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden eroderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden eroderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geërodeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geërodeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geërodeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt eroderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geërodeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen eroderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen eroderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen eroderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen eroderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geërodeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geërodeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geërodeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult eroderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geërodeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘afslijpen’ voor het eerst aangetroffen in 1650
Woordfamilie van eroderen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| erodeer | gebiedende wijs | eroderen |
| erodeerde | verleden tijd | eroderen |
| erodeerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | eroderen |
| erodeert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | eroderen |
| erodere | aanvoegende wijs | eroderen |
| eroderend | onvoltooid deelwoord | eroderen |
| eroderende | woordvorm | eroderen |
| geërodeerd | voltooid deelwoord | eroderen |
| geërodeerde | woordvorm | eroderen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van eroderen zijn vastgelegd.