eren
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- iemands prijzenswaardigheid in het daglicht stellen
- binden
Vervoeging van eren
erenhele werkwoord — eerdeverleden tijd enkelvoud — eerdenverleden tijd meervoud — geëerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | eer | eerde |
| jij | eert | eerde |
| hij, zij, het | eert | eerde |
| wij | eren | eerden |
| jullie | eren | eerden |
| zij | eren | eerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben geëerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geëerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| eer | gebiedende wijs |
| eerde | verleden tijd |
| er is geëerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geëerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geëerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geëerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geëerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geëerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geëerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geëerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ere | aanvoegende wijs |
| erend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| geëerd | verleden tijd, deelwoord |
| geëerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geëerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geëerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geëerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geëerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geëerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geëerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geëerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geëerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geëerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geëerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geëerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geëerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geëerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geëerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geëerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geëerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geëerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geëerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geëerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geëerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geëerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geëerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geëerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geëerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is geëerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geëerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te eren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geëerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen eren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geëerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geëerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geëerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geëerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geëerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geëerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geëerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geëerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geëerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geëerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geëerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geëerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geëerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geëerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geëerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geëerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geëerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geëerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geëerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geëerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal eren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal eren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal eren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geëerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geëerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geëerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geëerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geëerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geëerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geëerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn geëerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geëerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geëerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geëerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou eren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou eren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou eren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geëerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geëerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geëerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geëerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geëerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geëerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geëerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geëerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geëerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden eren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden eren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden eren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geëerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geëerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geëerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geëerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geëerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geëerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geëerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geëerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geëerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt eren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geëerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geëerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geëerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen eren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen eren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen eren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen eren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geëerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geëerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geëerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geëerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen geëerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen geëerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geëerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geëerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geëerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult eren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geëerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geëerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geëerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord ere
Herkomst
In de betekenis van ‘eerbied bewijzen’ voor het eerst aangetroffen in 1100
Woordfamilie van eren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| eerde | verleden tijd | eren |
| eerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | eren |
| eert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | eren |
| erend | onvoltooid deelwoord | eren |
| erende | woordvorm | eren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van eren zijn vastgelegd.