epileren
werkwoordBetekenis
- ontharen (met een pincet, was, hars of een (elektrisch) epileerapparaat dat met kleine pincetjes of tangetjes automatisch haartjes uittrekt)
Vervoeging van epileren
epilerenhele werkwoord — epileerdeverleden tijd enkelvoud — epileerdenverleden tijd meervoud — geëpileerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | epileer | epileerde |
| jij | epileert | epileerde |
| hij, zij, het | epileert | epileerde |
| wij | epileren | epileerden |
| jullie | epileren | epileerden |
| zij | epileren | epileerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben geëpileerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geëpileerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| epileer | gebiedende wijs |
| epileerde | verleden tijd |
| epilere | aanvoegende wijs |
| epilerend | onvoltooid, deelwoord |
| er is geëpileerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geëpileerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geëpileerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geëpileerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geëpileerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geëpileerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geëpileerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geëpileerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geëpileerd | verleden tijd, deelwoord |
| geëpileerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geëpileerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geëpileerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geëpileerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geëpileerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geëpileerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geëpileerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geëpileerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geëpileerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geëpileerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geëpileerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geëpileerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geëpileerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geëpileerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geëpileerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geëpileerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geëpileerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geëpileerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geëpileerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geëpileerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geëpileerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geëpileerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geëpileerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geëpileerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geëpileerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is geëpileerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geëpileerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te epileren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geëpileerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen epileren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geëpileerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geëpileerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geëpileerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geëpileerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geëpileerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geëpileerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geëpileerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geëpileerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geëpileerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geëpileerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geëpileerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geëpileerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geëpileerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geëpileerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geëpileerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geëpileerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geëpileerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geëpileerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geëpileerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geëpileerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal epileren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal epileren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal epileren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geëpileerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geëpileerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geëpileerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geëpileerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geëpileerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geëpileerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geëpileerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn geëpileerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geëpileerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geëpileerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geëpileerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou epileren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou epileren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou epileren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geëpileerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geëpileerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geëpileerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geëpileerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geëpileerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geëpileerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geëpileerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geëpileerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geëpileerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden epileren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden epileren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden epileren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geëpileerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geëpileerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geëpileerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geëpileerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geëpileerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geëpileerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geëpileerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geëpileerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geëpileerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt epileren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geëpileerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geëpileerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geëpileerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen epileren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen epileren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen epileren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen epileren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geëpileerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geëpileerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geëpileerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geëpileerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen geëpileerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen geëpileerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geëpileerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geëpileerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geëpileerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult epileren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geëpileerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geëpileerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geëpileerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘ontharen’ voor het eerst aangetroffen in 1914
Woordfamilie van epileren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| epileer | gebiedende wijs | epileren |
| epileerde | verleden tijd | epileren |
| epileerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | epileren |
| epileert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | epileren |
| epilere | aanvoegende wijs | epileren |
| epilerend | onvoltooid deelwoord | epileren |
| epilerende | woordvorm | epileren |
| geëpileerd | voltooid deelwoord | epileren |
| geëpileerde | woordvorm | epileren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van epileren zijn vastgelegd.