epateren
werkwoordBetekenis
- overdonderen, verstomd doen staan
Vervoeging van epateren
epaterenhele werkwoord — epateerdeverleden tijd enkelvoud — epateerdenverleden tijd meervoud — geëpateerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | epateer | epateerde |
| jij | epateert | epateerde |
| hij, zij, het | epateert | epateerde |
| wij | epateren | epateerden |
| jullie | epateren | epateerden |
| zij | epateren | epateerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben geëpateerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geëpateerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| epateer | gebiedende wijs |
| epateerde | verleden tijd |
| epatere | aanvoegende wijs |
| epaterend | onvoltooid, deelwoord |
| er is geëpateerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geëpateerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geëpateerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geëpateerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geëpateerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geëpateerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geëpateerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geëpateerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geëpateerd | verleden tijd, deelwoord |
| geëpateerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geëpateerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geëpateerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geëpateerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geëpateerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geëpateerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geëpateerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geëpateerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geëpateerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geëpateerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geëpateerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geëpateerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geëpateerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geëpateerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geëpateerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geëpateerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geëpateerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geëpateerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geëpateerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geëpateerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geëpateerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geëpateerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geëpateerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geëpateerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geëpateerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is geëpateerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geëpateerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te epateren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geëpateerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen epateren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geëpateerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geëpateerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geëpateerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geëpateerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geëpateerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geëpateerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geëpateerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geëpateerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geëpateerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geëpateerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geëpateerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geëpateerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geëpateerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geëpateerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geëpateerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geëpateerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geëpateerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geëpateerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geëpateerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geëpateerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal epateren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal epateren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal epateren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geëpateerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geëpateerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geëpateerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geëpateerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geëpateerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geëpateerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geëpateerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn geëpateerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geëpateerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geëpateerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geëpateerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou epateren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou epateren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou epateren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geëpateerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geëpateerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geëpateerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geëpateerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geëpateerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geëpateerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geëpateerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geëpateerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geëpateerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden epateren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden epateren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden epateren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geëpateerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geëpateerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geëpateerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geëpateerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geëpateerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geëpateerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geëpateerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geëpateerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geëpateerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt epateren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geëpateerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geëpateerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geëpateerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen epateren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen epateren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen epateren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen epateren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geëpateerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geëpateerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geëpateerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geëpateerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen geëpateerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen geëpateerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geëpateerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geëpateerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geëpateerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult epateren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geëpateerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geëpateerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geëpateerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘overdonderen’ voor het eerst aangetroffen in 1921
Woordfamilie van epateren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| epateer | gebiedende wijs | epateren |
| epateerde | verleden tijd | epateren |
| epateerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | epateren |
| epateert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | epateren |
| epatere | aanvoegende wijs | epateren |
| epaterend | onvoltooid deelwoord | epateren |
| epaterende | woordvorm | epateren |
| geëpateerd | voltooid deelwoord | epateren |
| geëpateerde | woordvorm | epateren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van epateren zijn vastgelegd.