enteren
werkwoordBetekenis
- aan boord gaan en overnemen
Vervoeging van enteren
enterenhele werkwoord — enterdeverleden tijd enkelvoud — enterdenverleden tijd meervoud — geënterdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | enter | enterde |
| jij | entert | enterde |
| hij, zij, het | entert | enterde |
| wij | enteren | enterden |
| jullie | enteren | enterden |
| zij | enteren | enterden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| enter | gebiedende wijs |
| enterde | verleden tijd |
| entere | aanvoegende wijs |
| enterend | onvoltooid, deelwoord |
| er is geënterd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geënterd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geënterd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geënterd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geënterd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geënterd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geënterd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geënterd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geënterd | verleden tijd, deelwoord |
| geënterd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geënterd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geënterd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geënterd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geënterd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geënterd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geënterd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geënterd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geënterd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geënterd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geënterd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geënterd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geënterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geënterd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geënterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geënterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geënterd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te enteren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geënterd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen enteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal enteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal enteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal enteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geënterd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geënterd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geënterd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou enteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou enteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou enteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geënterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geënterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geënterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden enteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden enteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden enteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geënterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geënterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geënterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt enteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geënterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen enteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen enteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen enteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen enteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geënterd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geënterd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geënterd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult enteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geënterd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Spaans, in de betekenis van ‘een vijandig schip beklimmen’ voor het eerst aangetroffen in 1571
Woordfamilie van enteren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| enterde | verleden tijd | enteren |
| enterden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | enteren |
| entere | aanvoegende wijs | enteren |
| enterend | onvoltooid deelwoord | enteren |
| enterende | woordvorm | enteren |
| entert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | enteren |
| geënterd | voltooid deelwoord | enteren |
| geënterde | woordvorm | enteren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van enteren zijn vastgelegd.