emenderen
werkwoordBetekenis
- verbeteringen aanbrengen in
Vervoeging van emenderen
emenderenhele werkwoord — emendeerdeverleden tijd enkelvoud — emendeerdenverleden tijd meervoud — geëmendeerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | emendeer | emendeerde |
| jij | emendeert | emendeerde |
| hij, zij, het | emendeert | emendeerde |
| wij | emenderen | emendeerden |
| jullie | emenderen | emendeerden |
| zij | emenderen | emendeerden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| emendeer | gebiedende wijs |
| emendeerde | verleden tijd |
| emendere | aanvoegende wijs |
| emenderend | onvoltooid, deelwoord |
| er is geëmendeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geëmendeerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geëmendeerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geëmendeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geëmendeerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geëmendeerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geëmendeerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geëmendeerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geëmendeerd | verleden tijd, deelwoord |
| geëmendeerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geëmendeerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geëmendeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geëmendeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geëmendeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geëmendeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geëmendeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geëmendeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geëmendeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geëmendeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geëmendeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geëmendeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geëmendeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geëmendeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geëmendeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geëmendeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geëmendeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te emenderen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geëmendeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen emenderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal emenderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal emenderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal emenderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geëmendeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geëmendeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geëmendeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou emenderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou emenderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou emenderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geëmendeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geëmendeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geëmendeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden emenderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden emenderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden emenderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geëmendeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geëmendeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geëmendeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt emenderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geëmendeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen emenderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen emenderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen emenderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen emenderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geëmendeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geëmendeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geëmendeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult emenderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geëmendeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘verbeteren’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1552
Woordfamilie van emenderen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| emendeer | gebiedende wijs | emenderen |
| emendeerde | verleden tijd | emenderen |
| emendeerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | emenderen |
| emendeert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | emenderen |
| emendere | aanvoegende wijs | emenderen |
| emenderend | onvoltooid deelwoord | emenderen |
| emenderende | woordvorm | emenderen |
| geëmendeerd | voltooid deelwoord | emenderen |
| geëmendeerde | woordvorm | emenderen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van emenderen zijn vastgelegd.