ejaculeren
werkwoordBetekenis
- sperma uitwerpen
Vervoeging van ejaculeren
ejaculerenhele werkwoord — ejaculeerdeverleden tijd enkelvoud — ejaculeerdenverleden tijd meervoud — geëjaculeerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ejaculeer | ejaculeerde |
| jij | ejaculeert | ejaculeerde |
| hij, zij, het | ejaculeert | ejaculeerde |
| wij | ejaculeren | ejaculeerden |
| jullie | ejaculeren | ejaculeerden |
| zij | ejaculeren | ejaculeerden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ejaculeer | gebiedende wijs |
| ejaculeerde | verleden tijd |
| ejaculere | aanvoegende wijs |
| ejaculerend | onvoltooid, deelwoord |
| er is geëjaculeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geëjaculeerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geëjaculeerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geëjaculeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geëjaculeerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geëjaculeerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geëjaculeerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geëjaculeerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geëjaculeerd | verleden tijd, deelwoord |
| geëjaculeerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geëjaculeerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geëjaculeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geëjaculeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geëjaculeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geëjaculeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geëjaculeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geëjaculeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geëjaculeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geëjaculeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geëjaculeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geëjaculeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geëjaculeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geëjaculeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geëjaculeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geëjaculeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geëjaculeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te ejaculeren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geëjaculeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ejaculeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal ejaculeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ejaculeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ejaculeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geëjaculeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geëjaculeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geëjaculeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou ejaculeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ejaculeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ejaculeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geëjaculeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geëjaculeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geëjaculeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ejaculeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ejaculeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ejaculeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geëjaculeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geëjaculeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geëjaculeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt ejaculeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geëjaculeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen ejaculeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ejaculeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ejaculeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ejaculeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geëjaculeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geëjaculeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geëjaculeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult ejaculeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geëjaculeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van het Franse éjaculer (met het achtervoegsel -eren)
Woordfamilie van ejaculeren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ejaculeer | gebiedende wijs | ejaculeren |
| ejaculeerde | verleden tijd | ejaculeren |
| ejaculeerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | ejaculeren |
| ejaculeert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | ejaculeren |
| ejaculere | aanvoegende wijs | ejaculeren |
| ejaculerend | onvoltooid deelwoord | ejaculeren |
| ejaculerende | woordvorm | ejaculeren |
| geëjaculeerd | voltooid deelwoord | ejaculeren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ejaculeren zijn vastgelegd.