eindigen
werkwoordBetekenis
- iets tot een besluit voeren
- ergens mee stoppen
Vervoeging van eindigen
eindigenhele werkwoord — eindigdeverleden tijd enkelvoud — eindigdenverleden tijd meervoud — geëindigdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | eindig | eindigde |
| jij | eindigt | eindigde |
| hij, zij, het | eindigt | eindigde |
| wij | eindigen | eindigden |
| jullie | eindigen | eindigden |
| zij | eindigen | eindigden |
Alle 64 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben geëindigd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geëindigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| eindig | gebiedende wijs |
| eindigde | verleden tijd |
| eindige | aanvoegende wijs |
| eindigend | onvoltooid, deelwoord |
| er is geëindigd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geëindigd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geëindigd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geëindigd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geëindigd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geëindigd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geëindigd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geëindigd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geëindigd | verleden tijd, deelwoord |
| geëindigd te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geëindigd zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| is geëindigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geëindigd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te eindigen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn geëindigd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen eindigen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geëindigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geëindigd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geëindigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geëindigd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geëindigd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geëindigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geëindigd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal eindigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal eindigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal eindigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geëindigd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geëindigd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geëindigd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn geëindigd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn geëindigd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geëindigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geëindigd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geëindigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou eindigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou eindigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou eindigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geëindigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geëindigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geëindigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden eindigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden eindigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden eindigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geëindigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geëindigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geëindigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt eindigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geëindigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen eindigen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen eindigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen eindigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen eindigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geëindigd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geëindigd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geëindigd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult eindigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geëindigd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘een eind nemen’ voor het eerst aangetroffen in 1395
Woordfamilie van eindigen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| eindigde | verleden tijd | eindigen |
| eindigden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | eindigen |
| eindigend | onvoltooid deelwoord | eindigen |
| eindigende | woordvorm | eindigen |
| eindigt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | eindigen |
| geëindigd | voltooid deelwoord | eindigen |
| geëindigde | woordvorm | eindigen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van eindigen zijn vastgelegd.