egotrip
zelfstandig naamwoord, werkwoord 'eɣotrɪpBetekenis
- activiteit hoofdzakelijk ter vergroting van het ego van de eigen (zelfingenomen) persoon
Hoe spreek je egotrip uit?
/ˈexotrɪp/
Egotrip bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| e | veel |
| x | acht |
| o | boot |
| t | tak |
| r | rood |
| ɪ | pit |
| p | pak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| egotripje | verkleinwoord, enkelvoud |
| egotripjes | verkleinwoord, meervoud |
| egotrips | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van egotrippen
- gebiedende wijs van egotrippen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van egotrippen
Vervoeging van egotrip
egotriphele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘activiteit ter verhoging van het zelfgevoel’ voor het eerst aangetroffen in 1975
Woordfamilie van egotrip
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| egotripje | verkleinwoord | egotrip |
| egotripjes | verkleinwoord meervoud | egotrip |
| egotrips | meervoud | egotrip |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van egotrip zijn vastgelegd.