egaliseren
werkwoordBetekenis
- gelijk maken, gladmaken
- nivelleren
Vervoeging van egaliseren
egaliserenhele werkwoord — egaliseerdeverleden tijd enkelvoud — egaliseerdenverleden tijd meervoud — geëgaliseerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | egaliseer | egaliseerde |
| jij | egaliseert | egaliseerde |
| hij, zij, het | egaliseert | egaliseerde |
| wij | egaliseren | egaliseerden |
| jullie | egaliseren | egaliseerden |
| zij | egaliseren | egaliseerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben geëgaliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geëgaliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| egaliseer | gebiedende wijs |
| egaliseerde | verleden tijd |
| egalisere | aanvoegende wijs |
| egaliserend | onvoltooid, deelwoord |
| er is geëgaliseerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geëgaliseerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geëgaliseerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geëgaliseerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geëgaliseerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geëgaliseerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geëgaliseerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geëgaliseerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geëgaliseerd | verleden tijd, deelwoord |
| geëgaliseerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geëgaliseerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geëgaliseerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geëgaliseerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geëgaliseerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geëgaliseerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geëgaliseerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geëgaliseerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geëgaliseerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geëgaliseerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geëgaliseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geëgaliseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geëgaliseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geëgaliseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geëgaliseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geëgaliseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geëgaliseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geëgaliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geëgaliseerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geëgaliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geëgaliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geëgaliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geëgaliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geëgaliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geëgaliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is geëgaliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geëgaliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te egaliseren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geëgaliseerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen egaliseren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geëgaliseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geëgaliseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geëgaliseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geëgaliseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geëgaliseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geëgaliseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geëgaliseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geëgaliseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geëgaliseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geëgaliseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geëgaliseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geëgaliseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geëgaliseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geëgaliseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geëgaliseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geëgaliseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geëgaliseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geëgaliseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geëgaliseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geëgaliseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal egaliseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal egaliseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal egaliseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geëgaliseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geëgaliseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geëgaliseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geëgaliseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geëgaliseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geëgaliseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geëgaliseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn geëgaliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geëgaliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geëgaliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geëgaliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou egaliseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou egaliseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou egaliseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geëgaliseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geëgaliseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geëgaliseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geëgaliseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geëgaliseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geëgaliseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geëgaliseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geëgaliseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geëgaliseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden egaliseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden egaliseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden egaliseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geëgaliseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geëgaliseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geëgaliseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geëgaliseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geëgaliseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geëgaliseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geëgaliseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geëgaliseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geëgaliseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt egaliseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geëgaliseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geëgaliseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geëgaliseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen egaliseren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen egaliseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen egaliseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen egaliseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geëgaliseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geëgaliseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geëgaliseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geëgaliseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen geëgaliseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen geëgaliseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geëgaliseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geëgaliseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geëgaliseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult egaliseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geëgaliseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geëgaliseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geëgaliseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘gelijkmaken, vereffenen’ voor het eerst aangetroffen in 1669
Woordfamilie van egaliseren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| egaliseer | gebiedende wijs | egaliseren |
| egaliseerde | verleden tijd | egaliseren |
| egaliseerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | egaliseren |
| egaliseert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | egaliseren |
| egalisere | aanvoegende wijs | egaliseren |
| egaliserend | onvoltooid deelwoord | egaliseren |
| egaliserende | woordvorm | egaliseren |
| geëgaliseerd | voltooid deelwoord | egaliseren |
| geëgaliseerde | woordvorm | egaliseren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van egaliseren zijn vastgelegd.