Naar de inhoud

economiseren

uitsparen, bezuinigen

economiseren

werkwoord

Betekenis

  1. uitsparen, bezuinigen

Vervoeging van economiseren

economiserenhele werkwoord — economiseerdeverleden tijd enkelvoud — economiseerdenverleden tijd meervoud — geëconomiseerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik economiseer economiseerde
jij economiseert economiseerde
hij, zij, het economiseert economiseerde
wij economiseren economiseerden
jullie economiseren economiseerden
zij economiseren economiseerden
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
economiseer gebiedende wijs
economiseerde verleden tijd
economisere aanvoegende wijs
economiserend onvoltooid, deelwoord
ev. gebiedende wijs
geëconomiseerd verleden tijd, deelwoord
geëconomiseerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geëconomiseerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geëconomiseerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geëconomiseerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geëconomiseerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geëconomiseerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geëconomiseerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geëconomiseerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geëconomiseerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geëconomiseerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geëconomiseerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geëconomiseerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geëconomiseerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geëconomiseerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geëconomiseerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geëconomiseerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geëconomiseerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te economiseren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben geëconomiseerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen economiseren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal economiseren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal economiseren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal economiseren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal geëconomiseerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geëconomiseerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geëconomiseerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zou economiseren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou economiseren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou economiseren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou geëconomiseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geëconomiseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geëconomiseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden economiseren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden economiseren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden economiseren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden geëconomiseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geëconomiseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geëconomiseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt economiseren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt geëconomiseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen economiseren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen economiseren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen economiseren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen economiseren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen geëconomiseerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geëconomiseerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geëconomiseerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult economiseren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult geëconomiseerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

afgeleid van het Franse economiser (met het voorvoegsel eco-) met het achtervoegsel -iseren)

Woordfamilie van economiseren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
economiseer gebiedende wijs economiseren
economiseerde verleden tijd economiseren
economiseerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon economiseren
economiseert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon economiseren
economisere aanvoegende wijs economiseren
economiserend onvoltooid deelwoord economiseren
economiserende woordvorm economiseren
geëconomiseerd voltooid deelwoord economiseren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van economiseren zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over economiseren

Wat betekent economiseren?
Economiseren is een werkwoord. Het woord betekent: uitsparen, bezuinigen.
Hoe vervoeg je economiseren?
Je vervoegt economiseren als volgt: de tegenwoordige tijd is economiseer, de verleden tijd is economiseerde en het voltooid deelwoord is geëconomiseerd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Scrabble punten

Naar spel

Het woord economiseren is 20 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. E 1
  2. C 5
  3. O 1
  4. N 1
  5. O 1
  6. M 3
  7. I 1
  8. S 2
  9. E 1
  10. R 2
  11. E 1
  12. N 1
  13. 20 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

economiseren levert met Wordfeud minimaal 21 en maximaal 93 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. E 1
  2. C 5
  3. O 1
  4. N 1
  5. O 1
  6. M 3
  7. I 2
  8. S 2
  9. E 1
  10. R 2
  11. E 1
  12. N 1
  13. 21 zonder bonus
  14. 93 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

economiseren in het kort

economiseren staat in dit woordenboek als werkwoord. Van economiseren zijn 32 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort economiseren bij een woordfamilie van 8 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

economiseren: uitsparen, bezuinigen
Deel economiseren — standaardnederlands.nl