echo
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈɛxoBetekenis
- een hoorbare terugkaatsing van een gemaakt geluid
- een herhaald elektronisch signaal
- spelwoord van het ITU/NAVO-spellingalfabet voor de letter e
- verkorting voor echografie
Hoe spreek je echo uit?
/ˈɛxo/
Echo bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɛ | bed |
| x | acht |
| o | boot |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- herhaling van iets dat eerder gezegd of geschreven is
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| echo's | meervoud |
| echootje | verkleinwoord, enkelvoud |
| echootjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van echoën
- gebiedende wijs van echoën
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van echoën
Vervoeging van echo
echohele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘geluidsweerkaatsing’ voor het eerst aangetroffen in 1477
Woordfamilie van echo
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| echo's | meervoud | echo |
| echootje | verkleinwoord | echo |
| echootjes | verkleinwoord meervoud | echo |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van echo zijn vastgelegd.