eb
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- een getijde waarbij het water van de zee zakt, in tegenstelling tot vloed, waarbij het water stijgt
- hond
- land (staat)
- alvorens, voordat
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ebben
- gebiedende wijs van ebben
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ebben
Vervoeging van eb
ebhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘het aflopen van de zee’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1351