dwarrelen
werkwoordBetekenis
- zijdelings heen en weer schommelend door de lucht afdalen
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van dwarrelen
dwarrelenhele werkwoord — dwarreldeverleden tijd enkelvoud — dwarreldenverleden tijd meervoud — gedwarreldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | dwarrel | dwarrelde |
| jij | dwarrelt | dwarrelde |
| hij, zij, het | dwarrelt | dwarrelde |
| wij | dwarrelen | dwarrelden |
| jullie | dwarrelen | dwarrelden |
| zij | dwarrelen | dwarrelden |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben gedwarreld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gedwarreld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| dwarrel | gebiedende wijs |
| dwarrelde | verleden tijd |
| dwarrele | aanvoegende wijs |
| dwarrelend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| gedwarreld | verleden tijd, deelwoord |
| gedwarreld te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedwarreld zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| is gedwarreld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gedwarreld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te dwarrelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn gedwarreld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen dwarrelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gedwarreld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gedwarreld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gedwarreld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gedwarreld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gedwarreld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gedwarreld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gedwarreld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal dwarrelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal dwarrelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal dwarrelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gedwarreld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedwarreld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gedwarreld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn gedwarreld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn gedwarreld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gedwarreld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gedwarreld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gedwarreld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou dwarrelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou dwarrelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou dwarrelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gedwarreld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedwarreld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedwarreld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden dwarrelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden dwarrelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden dwarrelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gedwarreld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gedwarreld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gedwarreld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt dwarrelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gedwarreld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen dwarrelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen dwarrelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen dwarrelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen dwarrelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gedwarreld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gedwarreld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gedwarreld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult dwarrelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gedwarreld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘zich zwevend verplaatsen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1285
Woordfamilie van dwarrelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| dwarrel | gebiedende wijs | dwarrelen |
| dwarrelde | verleden tijd | dwarrelen |
| dwarrelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | dwarrelen |
| dwarrele | aanvoegende wijs | dwarrelen |
| dwarrelend | onvoltooid deelwoord | dwarrelen |
| dwarrelende | woordvorm | dwarrelen |
| dwarrelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | dwarrelen |
| gedwarreld | voltooid deelwoord | dwarrelen |
| gedwarrelde | woordvorm | dwarrelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van dwarrelen zijn vastgelegd.