Naar de inhoud

duizelen

het gevoel van evenwicht en helderheid van geest doen verliezen

duizelen

werkwoord

Betekenis

  1. het gevoel van evenwicht en helderheid van geest doen verliezen

Vervoeging van duizelen

duizelenhele werkwoord — duizeldeverleden tijd enkelvoud — duizeldenverleden tijd meervoud — geduizeldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik duizel duizelde
jij duizelt duizelde
hij, zij, het duizelt duizelde
wij duizelen duizelden
jullie duizelen duizelden
zij duizelen duizelden
Alle 58 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
duizel gebiedende wijs
duizelde verleden tijd
duizele aanvoegende wijs
duizelend onvoltooid, deelwoord
duizelt tegenwoordige tijd
ev. gebiedende wijs
geduizeld verleden tijd, deelwoord
geduizeld te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geduizeld zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geduizeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geduizeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geduizeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geduizeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geduizeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geduizeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geduizeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geduizeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geduizeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geduizeld verleden tijd, deelwoord
hebben geduizeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geduizeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geduizeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geduizeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geduizeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geduizeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te duizelen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben geduizeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen duizelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal duizelen toekomende tijd
zal duizelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal duizelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal duizelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal geduizeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geduizeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geduizeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zou duizelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou duizelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou duizelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou geduizeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geduizeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geduizeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden duizelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden duizelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden duizelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden geduizeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geduizeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geduizeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt duizelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt geduizeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen duizelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen duizelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen duizelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen duizelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen geduizeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geduizeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geduizeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult duizelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult geduizeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

In de betekenis van ‘draaierig worden’ voor het eerst aangetroffen in 1301

Woordfamilie van duizelen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
duizel gebiedende wijs duizelen
duizelde verleden tijd duizelen
duizelden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon duizelen
duizele aanvoegende wijs duizelen
duizelend onvoltooid deelwoord duizelen
duizelende woordvorm duizelen
duizelt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon duizelen
geduizeld voltooid deelwoord duizelen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van duizelen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over duizelen

Wat betekent duizelen?
Duizelen is een werkwoord. Het woord betekent: het gevoel van evenwicht en helderheid van geest doen verliezen.
Hoe vervoeg je duizelen?
Je vervoegt duizelen als volgt: de tegenwoordige tijd is duizel, de verleden tijd is duizelde en het voltooid deelwoord is geduizeld. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord duizelen is 17 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. D 2
  2. U 4
  3. I 1
  4. Z 4
  5. E 1
  6. L 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 17 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

duizelen levert met Wordfeud minimaal 17 en maximaal 81 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. D 2
  2. U 2
  3. I 2
  4. Z 5
  5. E 1
  6. L 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 17 zonder bonus
  10. 81 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (Z) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

duizelen in het kort

duizelen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van duizelen zijn 32 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort duizelen bij een woordfamilie van 8 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

duizelen: het gevoel van evenwicht en helderheid van geest doen verliezen
Deel duizelen — standaardnederlands.nl