dubbelvouwen
werkwoordBetekenis
- iets doormidden buigen en de twee helften samendrukken zodat ze op elkaar komen te liggen
Vervoeging van dubbelvouwen
dubbelvouwenhele werkwoord — vouwde dubbelverleden tijd enkelvoud — vouwden dubbelverleden tijd meervoud — dubbelgevouwenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | vouw dubbel | vouwde dubbel |
| jij | vouwt dubbel | vouwde dubbel |
| hij, zij, het | vouwt dubbel | vouwde dubbel |
| wij | vouwen dubbel | vouwden dubbel |
| jullie | vouwen dubbel | vouwden dubbel |
| zij | vouwen dubbel | vouwden dubbel |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben dubbelgevouwen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent dubbelgevouwen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| dubbel te vouwen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| dubbel te zullen vouwen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| dubbel zal vouwen | bijzin, toekomende tijd |
| dubbel zou vouwen | bijzin, voorwaardelijk |
| dubbel zouden vouwen | bijzin, voorwaardelijk |
| dubbel zoudt vouwen | bijzin, voorwaardelijk |
| dubbel zullen vouwen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| dubbel zullen vouwen | bijzin, toekomende tijd |
| dubbel zult vouwen | bijzin, toekomende tijd |
| dubbelgevouwen | verleden tijd, deelwoord |
| dubbelgevouwen te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| dubbelgevouwen te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| dubbelgevouwen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| dubbelgevouwen te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| dubbelgevouwen te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| dubbelgevouwen worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| dubbelgevouwen zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| dubbelgevouwen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| dubbelgevouwen zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| dubbelgevouwen zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| dubbelvouw | bijzin, tegenwoordige tijd |
| dubbelvouwde | bijzin, verleden tijd |
| dubbelvouwden | bijzin, verleden tijd |
| dubbelvouwend | onvoltooid, deelwoord |
| dubbelvouwt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| er is dubbelgevouwen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was dubbelgevouwen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd dubbelgevouwen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt dubbelgevouwen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal dubbelgevouwen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal dubbelgevouwen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou dubbelgevouwen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou dubbelgevouwen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had dubbelgevouwen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had dubbelgevouwen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had dubbelgevouwen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden dubbelgevouwen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden dubbelgevouwen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden dubbelgevouwen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt dubbelgevouwen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb dubbelgevouwen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben dubbelgevouwen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben dubbelgevouwen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben dubbelgevouwen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben dubbelgevouwen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt dubbelgevouwen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft dubbelgevouwen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft dubbelgevouwen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is dubbelgevouwen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is dubbelgevouwen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben dubbelgevouwen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen dubbelvouwen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vouw dubbel | gebiedende wijs |
| vouwde dubbel | verleden tijd |
| waart dubbelgevouwen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren dubbelgevouwen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren dubbelgevouwen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren dubbelgevouwen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was dubbelgevouwen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was dubbelgevouwen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was dubbelgevouwen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd dubbelgevouwen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd dubbelgevouwen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd dubbelgevouwen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden dubbelgevouwen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden dubbelgevouwen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden dubbelgevouwen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt dubbelgevouwen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word dubbelgevouwen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden dubbelgevouwen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden dubbelgevouwen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden dubbelgevouwen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt dubbelgevouwen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt dubbelgevouwen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal dubbelgevouwen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal dubbelgevouwen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal dubbelgevouwen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal dubbelgevouwen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal dubbelgevouwen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal dubbelgevouwen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal dubbelgevouwen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal dubbelvouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal dubbelvouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal dubbelvouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal dubbelvouwen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn dubbelgevouwen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn dubbelgevouwen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn dubbelgevouwen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt dubbelgevouwen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou dubbelgevouwen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou dubbelgevouwen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou dubbelgevouwen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou dubbelgevouwen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou dubbelgevouwen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou dubbelgevouwen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou dubbelgevouwen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou dubbelgevouwen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou dubbelgevouwen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou dubbelvouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou dubbelvouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou dubbelvouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou dubbelvouwen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) dubbelvouwen dubbel zou(dt) vouwen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden dubbelgevouwen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden dubbelgevouwen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden dubbelgevouwen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden dubbelgevouwen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden dubbelgevouwen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden dubbelgevouwen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden dubbelgevouwen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden dubbelgevouwen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden dubbelgevouwen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden dubbelvouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden dubbelvouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden dubbelvouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden dubbelvouwen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt dubbelgevouwen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt dubbelgevouwen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt dubbelgevouwen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt dubbelvouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt dubbelvouwen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen dubbelgevouwen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen dubbelgevouwen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen dubbelgevouwen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen dubbelgevouwen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen dubbelgevouwen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen dubbelgevouwen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen dubbelgevouwen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen dubbelgevouwen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen dubbelgevouwen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen dubbelvouwen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen dubbelvouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen dubbelvouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen dubbelvouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen dubbelvouwen | bijzin, toekomende tijd |
| zult dubbelgevouwen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van dubbel en vouwen
Woordfamilie van dubbelvouwen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| dubbelgevouwen | voltooid deelwoord | dubbelvouwen |
| dubbelvouw | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | dubbelvouwen |
| dubbelvouwde | subordinate-clause, verleden tijd | dubbelvouwen |
| dubbelvouwden | subordinate-clause, verleden tijd | dubbelvouwen |
| dubbelvouwe | with-subordinate-clause | dubbelvouwen |
| dubbelvouwend | onvoltooid deelwoord | dubbelvouwen |
| dubbelvouwende | woordvorm | dubbelvouwen |
| dubbelvouwt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | dubbelvouwen |
| vouw dubbel | gebiedende wijs | dubbelvouwen |
| vouwde dubbel | verleden tijd | dubbelvouwen |
| vouwden dubbel | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | dubbelvouwen |
| vouwe dubbel | woordvorm | dubbelvouwen |
| vouwen dubbel | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | dubbelvouwen |
| vouwt dubbel | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | dubbelvouwen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van dubbelvouwen zijn vastgelegd.