dreigen
werkwoordBetekenis
- een bestraffende handeling in het vooruitzicht stellen
- bang maken
- er zou iets ergs kunnen gebeuren
Vervoeging van dreigen
dreigenhele werkwoord — dreigdeverleden tijd enkelvoud — dreigdenverleden tijd meervoud — gedreigdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | dreig | dreigde |
| jij | dreigt | dreigde |
| hij, zij, het | dreigt | dreigde |
| wij | dreigen | dreigden |
| jullie | dreigen | dreigden |
| zij | dreigen | dreigden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| dreig | gebiedende wijs |
| dreigde | verleden tijd |
| dreige | aanvoegende wijs |
| dreigend | onvoltooid, deelwoord |
| er is gedreigd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gedreigd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gedreigd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gedreigd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gedreigd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gedreigd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gedreigd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gedreigd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gedreigd | verleden tijd, deelwoord |
| gedreigd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedreigd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gedreigd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gedreigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gedreigd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gedreigd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gedreigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gedreigd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gedreigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gedreigd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedreigd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gedreigd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedreigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gedreigd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gedreigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedreigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedreigd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te dreigen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gedreigd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen dreigen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal dreigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal dreigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal dreigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gedreigd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedreigd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gedreigd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou dreigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou dreigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou dreigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gedreigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedreigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedreigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden dreigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden dreigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden dreigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gedreigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gedreigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gedreigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt dreigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gedreigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen dreigen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen dreigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen dreigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen dreigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gedreigd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gedreigd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gedreigd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult dreigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gedreigd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘bedreigend bejegenen’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Woordfamilie van dreigen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| dreig | gebiedende wijs | dreigen |
| dreigde | verleden tijd | dreigen |
| dreigden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | dreigen |
| dreige | aanvoegende wijs | dreigen |
| dreigt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | dreigen |
| gedreigd | voltooid deelwoord | dreigen |
| gedreigde | woordvorm | dreigen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van dreigen zijn vastgelegd.