doorzijgen
werkwoordBetekenis
- door een filter of zeef doen lopen
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van doorzijgen
doorzijgenhele werkwoord — zeeg doorverleden tijd enkelvoud — zegen doorverleden tijd meervoud — doorgezegenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zijg door | zeeg door |
| jij | zijgt door | zeeg door |
| hij, zij, het | zijgt door | zeeg door |
| wij | zijgen door | zegen door |
| jullie | zijgen door | zegen door |
| zij | zijgen door | zegen door |
Alle 108 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| door te zijgen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| door te zullen zijgen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| door zal zijgen | bijzin, toekomende tijd |
| door zou zijgen | bijzin, voorwaardelijk |
| door zouden zijgen | bijzin, voorwaardelijk |
| door zoudt zijgen | bijzin, voorwaardelijk |
| door zullen zijgen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| door zullen zijgen | bijzin, toekomende tijd |
| door zult zijgen | bijzin, toekomende tijd |
| doorgezegen | verleden tijd, deelwoord |
| doorgezegen te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| doorgezegen te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| doorgezegen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| doorgezegen te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| doorgezegen te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| doorgezegen worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| doorgezegen zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| doorgezegen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| doorgezegen zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| doorgezegen zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| doorzeeg | bijzin, verleden tijd |
| doorzeegt | bijzin, verleden tijd |
| doorzegen | bijzin, verleden tijd |
| doorzijg | bijzin, tegenwoordige tijd |
| doorzijgend | onvoltooid, deelwoord |
| doorzijgt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| er is doorgezegen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was doorgezegen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd doorgezegen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt doorgezegen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal doorgezegen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal doorgezegen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou doorgezegen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou doorgezegen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had doorgezegen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had doorgezegen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had doorgezegen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden doorgezegen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden doorgezegen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden doorgezegen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt doorgezegen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb doorgezegen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben doorgezegen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben doorgezegen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben doorgezegen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben doorgezegen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt doorgezegen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft doorgezegen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft doorgezegen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is doorgezegen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben doorgezegen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen doorzijgen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waren doorgezegen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was doorgezegen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd doorgezegen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werden doorgezegen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| worden doorgezegen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt doorgezegen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| zal doorgezegen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal doorgezegen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal doorgezegen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal doorgezegen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal doorgezegen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal doorzijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal doorzijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal doorzijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal doorzijgen | bijzin, toekomende tijd |
| zeeg door | verleden tijd |
| zijg door | gebiedende wijs |
| zijn doorgezegen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zou doorgezegen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou doorgezegen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou doorgezegen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou doorgezegen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou doorgezegen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou doorzijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou doorzijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou doorzijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou doorzijgen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) doorzijgen door zou(dt) zijgen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden doorgezegen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden doorgezegen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden doorgezegen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden doorgezegen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden doorgezegen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden doorzijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden doorzijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden doorzijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden doorzijgen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt doorgezegen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt doorzijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt doorzijgen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen doorgezegen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen doorgezegen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen doorgezegen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen doorgezegen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen doorgezegen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen doorzijgen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen doorzijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen doorzijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen doorzijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen doorzijgen | bijzin, toekomende tijd |
| zult doorgezegen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult doorzijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult doorzijgen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal doorzijgen door zult/zal zijgen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van door en zijgen
Woordfamilie van doorzijgen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| doorgezegen | voltooid deelwoord | doorzijgen |
| doorzeeg | subordinate-clause, verleden tijd | doorzijgen |
| doorzegen | subordinate-clause, verleden tijd | doorzijgen |
| doorzijg | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | doorzijgen |
| doorzijge | with-subordinate-clause | doorzijgen |
| doorzijgend | onvoltooid deelwoord | doorzijgen |
| doorzijgende | woordvorm | doorzijgen |
| doorzijgt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | doorzijgen |
| zeeg door | verleden tijd | doorzijgen |
| zegen door | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | doorzijgen |
| zijg door | gebiedende wijs | doorzijgen |
| zijge door | woordvorm | doorzijgen |
| zijgen door | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | doorzijgen |
| zijgt door | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | doorzijgen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van doorzijgen zijn vastgelegd.