doorvertellen
werkwoordBetekenis
- iets wat men heeft horen vertelen aan een derde persoon vertellen
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
werkwoord
- iets wat men heeft horen vertellen aan een derde persoon vertellen transitive
Vervoeging van doorvertellen
doorvertellenhele werkwoord — vertelde doorverleden tijd enkelvoud — vertelden doorverleden tijd meervoud — doorverteldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | vertel door | vertelde door |
| jij | vertelt door | vertelde door |
| hij, zij, het | vertelt door | vertelde door |
| wij | vertellen door | vertelden door |
| jullie | vertellen door | vertelden door |
| zij | vertellen door | vertelden door |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben doorverteld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent doorverteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| door te vertellen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| door te zullen vertellen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| door zal vertellen | bijzin, toekomende tijd |
| door zou vertellen | bijzin, voorwaardelijk |
| door zouden vertellen | bijzin, voorwaardelijk |
| door zoudt vertellen | bijzin, voorwaardelijk |
| door zullen vertellen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| door zullen vertellen | bijzin, toekomende tijd |
| door zult vertellen | bijzin, toekomende tijd |
| doorvertel | bijzin, tegenwoordige tijd |
| doorverteld | verleden tijd, deelwoord |
| doorverteld te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| doorverteld te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| doorverteld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| doorverteld te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| doorverteld te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| doorverteld worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| doorverteld zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| doorverteld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| doorverteld zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| doorverteld zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| doorvertelde | bijzin, verleden tijd |
| doorvertelden | bijzin, verleden tijd |
| doorvertellend | onvoltooid, deelwoord |
| doorvertelt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| er is doorverteld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was doorverteld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd doorverteld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt doorverteld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal doorverteld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal doorverteld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou doorverteld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou doorverteld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had doorverteld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had doorverteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had doorverteld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden doorverteld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden doorverteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden doorverteld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt doorverteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb doorverteld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben doorverteld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben doorverteld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben doorverteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben doorverteld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt doorverteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft doorverteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft doorverteld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is doorverteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is doorverteld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben doorverteld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen doorvertellen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vertel door | gebiedende wijs |
| vertelde door | verleden tijd |
| waart doorverteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren doorverteld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren doorverteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren doorverteld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was doorverteld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was doorverteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was doorverteld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd doorverteld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd doorverteld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd doorverteld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden doorverteld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden doorverteld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden doorverteld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt doorverteld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word doorverteld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden doorverteld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden doorverteld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden doorverteld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt doorverteld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt doorverteld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal doorverteld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal doorverteld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal doorverteld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal doorverteld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal doorverteld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal doorverteld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal doorverteld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal doorvertellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal doorvertellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal doorvertellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal doorvertellen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn doorverteld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn doorverteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn doorverteld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt doorverteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou doorverteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou doorverteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou doorverteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou doorverteld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou doorverteld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou doorverteld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou doorverteld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou doorverteld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou doorverteld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou doorvertellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou doorvertellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou doorvertellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou doorvertellen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) doorvertellen door zou(dt) vertellen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden doorverteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden doorverteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden doorverteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden doorverteld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden doorverteld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden doorverteld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden doorverteld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden doorverteld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden doorverteld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden doorvertellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden doorvertellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden doorvertellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden doorvertellen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt doorverteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt doorverteld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt doorverteld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt doorvertellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt doorvertellen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen doorverteld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen doorverteld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen doorverteld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen doorverteld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen doorverteld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen doorverteld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen doorverteld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen doorverteld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen doorverteld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen doorvertellen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen doorvertellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen doorvertellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen doorvertellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen doorvertellen | bijzin, toekomende tijd |
| zult doorverteld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van door bw en vertellen ww
Woordfamilie van doorvertellen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| doorvertel | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | doorvertellen |
| doorverteld | voltooid deelwoord | doorvertellen |
| doorvertelde | subordinate-clause, verleden tijd | doorvertellen |
| doorvertelden | subordinate-clause, verleden tijd | doorvertellen |
| doorvertelle | with-subordinate-clause | doorvertellen |
| doorvertellend | onvoltooid deelwoord | doorvertellen |
| doorvertellende | woordvorm | doorvertellen |
| doorvertelt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | doorvertellen |
| vertel door | gebiedende wijs | doorvertellen |
| vertelde door | verleden tijd | doorvertellen |
| vertelden door | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | doorvertellen |
| vertelle door | woordvorm | doorvertellen |
| vertellen door | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | doorvertellen |
| vertelt door | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | doorvertellen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van doorvertellen zijn vastgelegd.