doorkomen
werkwoordBetekenis
- zichtbaar worden
- door iets heen gaan, iets tot een einde kunnen brengen
- iets doorstaan
Vervoeging van doorkomen
doorkomenhele werkwoord — kwam doorverleden tijd enkelvoud — kwamen doorverleden tijd meervoud — doorgekomenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | kom door | kwam door |
| jij | komt door | kwaamt door |
| hij, zij, het | komt door | kwam door |
| wij | komen door | kwamen door |
| jullie | komen door | kwamen door |
| zij | komen door | kwamen door |
Alle 76 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben doorgekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent doorgekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| door te komen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| door te zullen komen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| door zal komen | bijzin, toekomende tijd |
| door zou komen | bijzin, voorwaardelijk |
| door zouden komen | bijzin, voorwaardelijk |
| door zoudt komen | bijzin, voorwaardelijk |
| door zullen komen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| door zullen komen | bijzin, toekomende tijd |
| door zult komen | bijzin, toekomende tijd |
| doorgekomen | verleden tijd, deelwoord |
| doorgekomen te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| doorgekomen zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| doorkom | bijzin, tegenwoordige tijd |
| doorkomend | onvoltooid, deelwoord |
| doorkomt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| doorkwaamt | bijzin, verleden tijd |
| doorkwam | bijzin, verleden tijd |
| doorkwamen | bijzin, verleden tijd |
| ev. | gebiedende wijs |
| is doorgekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is doorgekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| kom door | gebiedende wijs |
| kwam door | verleden tijd |
| te zijn doorgekomen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen doorkomen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart doorgekomen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren doorgekomen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren doorgekomen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren doorgekomen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was doorgekomen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was doorgekomen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was doorgekomen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal doorgekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal doorgekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal doorgekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal doorkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal doorkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal doorkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal doorkomen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn doorgekomen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn doorgekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn doorgekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn doorgekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt doorgekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou doorgekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou doorgekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou doorgekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou doorkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou doorkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou doorkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou doorkomen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) doorkomen door zou(dt) komen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden doorgekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden doorgekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden doorgekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden doorkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden doorkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden doorkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden doorkomen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt doorgekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt doorkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt doorkomen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen doorgekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen doorgekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen doorgekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen doorkomen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen doorkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen doorkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen doorkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen doorkomen | bijzin, toekomende tijd |
| zult doorgekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult doorkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult doorkomen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal doorkomen door zult/zal komen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van door bw en komen ww
Woordfamilie van doorkomen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| doorgekomen | voltooid deelwoord | doorkomen |
| doorkom | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | doorkomen |
| doorkome | with-subordinate-clause | doorkomen |
| doorkomend | onvoltooid deelwoord | doorkomen |
| doorkomende | woordvorm | doorkomen |
| doorkomt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | doorkomen |
| doorkwam | subordinate-clause, verleden tijd | doorkomen |
| doorkwamen | subordinate-clause, verleden tijd | doorkomen |
| kom door | gebiedende wijs | doorkomen |
| kome door | woordvorm | doorkomen |
| komen door | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | doorkomen |
| komt door | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | doorkomen |
| kwam door | verleden tijd | doorkomen |
| kwamen door | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | doorkomen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van doorkomen zijn vastgelegd.