Naar de inhoud

doorkomen

zichtbaar worden

doorkomen

werkwoord

Betekenis

  1. zichtbaar worden
  2. door iets heen gaan, iets tot een einde kunnen brengen
  3. iets doorstaan

Vervoeging van doorkomen

doorkomenhele werkwoord — kwam doorverleden tijd enkelvoud — kwamen doorverleden tijd meervoud — doorgekomenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik kom door kwam door
jij komt door kwaamt door
hij, zij, het komt door kwam door
wij komen door kwamen door
jullie komen door kwamen door
zij komen door kwamen door
Alle 76 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ben doorgekomen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent doorgekomen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
door te komen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
door te zullen komen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
door zal komen bijzin, toekomende tijd
door zou komen bijzin, voorwaardelijk
door zouden komen bijzin, voorwaardelijk
door zoudt komen bijzin, voorwaardelijk
door zullen komen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
door zullen komen bijzin, toekomende tijd
door zult komen bijzin, toekomende tijd
doorgekomen verleden tijd, deelwoord
doorgekomen te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
doorgekomen zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
doorkom bijzin, tegenwoordige tijd
doorkomend onvoltooid, deelwoord
doorkomt bijzin, tegenwoordige tijd
doorkwaamt bijzin, verleden tijd
doorkwam bijzin, verleden tijd
doorkwamen bijzin, verleden tijd
ev. gebiedende wijs
is doorgekomen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is doorgekomen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
kom door gebiedende wijs
kwam door verleden tijd
te zijn doorgekomen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen doorkomen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart doorgekomen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren doorgekomen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren doorgekomen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren doorgekomen voltooid, verleden tijd, derde persoon
was doorgekomen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was doorgekomen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was doorgekomen voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal doorgekomen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal doorgekomen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal doorgekomen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal doorkomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal doorkomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal doorkomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal doorkomen bijzin, toekomende tijd
zijn doorgekomen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn doorgekomen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn doorgekomen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn doorgekomen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt doorgekomen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou doorgekomen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou doorgekomen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou doorgekomen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou doorkomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou doorkomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou doorkomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou doorkomen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) doorkomen door zou(dt) komen bijzin, voorwaardelijk
zouden doorgekomen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden doorgekomen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden doorgekomen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden doorkomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden doorkomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden doorkomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden doorkomen bijzin, voorwaardelijk
zoudt doorgekomen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt doorkomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt doorkomen bijzin, voorwaardelijk
zullen doorgekomen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen doorgekomen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen doorgekomen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen doorkomen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen doorkomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen doorkomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen doorkomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen doorkomen bijzin, toekomende tijd
zult doorgekomen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult doorkomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult doorkomen bijzin, toekomende tijd
zult/zal doorkomen door zult/zal komen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van door bw en komen ww

Woordfamilie van doorkomen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
doorgekomen voltooid deelwoord doorkomen
doorkom subordinate-clause, tegenwoordige tijd doorkomen
doorkome with-subordinate-clause doorkomen
doorkomend onvoltooid deelwoord doorkomen
doorkomende woordvorm doorkomen
doorkomt subordinate-clause, tegenwoordige tijd doorkomen
doorkwam subordinate-clause, verleden tijd doorkomen
doorkwamen subordinate-clause, verleden tijd doorkomen
kom door gebiedende wijs doorkomen
kome door woordvorm doorkomen
komen door aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon doorkomen
komt door aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon doorkomen
kwam door verleden tijd doorkomen
kwamen door aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon doorkomen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van doorkomen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over doorkomen

Wat is de betekenis van doorkomen?
Doorkomen is een werkwoord. De betekenis is: zichtbaar worden. In totaal staan er 3 betekenissen.
Hoe vervoeg ik doorkomen?
Zo vervoeg je doorkomen zo: het voltooid deelwoord is doorgekomen. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord doorkomen is 15 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. D 2
  2. O 1
  3. O 1
  4. R 2
  5. K 3
  6. O 1
  7. M 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 15 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

doorkomen levert met Wordfeud minimaal 15 en maximaal 63 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. D 2
  2. O 1
  3. O 1
  4. R 2
  5. K 3
  6. O 1
  7. M 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 15 zonder bonus
  11. 63 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (K) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

doorkomen in het kort

doorkomen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 3 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van doorkomen staan er 48 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort doorkomen bij een woordfamilie van 14 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

doorkomen: zichtbaar worden
Deel doorkomen — standaardnederlands.nl