dooreenschudden
werkwoordBetekenis
- schudden zodat alles goed vermengd is of door elkaar ligt
Vervoeging van dooreenschudden
dooreenschuddenhele werkwoord — schudde dooreenverleden tijd enkelvoud — schudden dooreenverleden tijd meervoud — dooreengeschudvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | schud dooreen | schudde dooreen |
| jij | schudt dooreen | schudde dooreen |
| hij, zij, het | schudt dooreen | schudde dooreen |
| wij | schudden dooreen | schudden dooreen |
| jullie | schudden dooreen | schudden dooreen |
| zij | schudden dooreen | schudden dooreen |
Alle 73 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| dooreen te schudden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| dooreen te zullen schudden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| dooreen zal schudden | bijzin, toekomende tijd |
| dooreen zou schudden | bijzin, voorwaardelijk |
| dooreen zouden schudden | bijzin, voorwaardelijk |
| dooreen zoudt schudden | bijzin, voorwaardelijk |
| dooreen zullen schudden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| dooreen zullen schudden | bijzin, toekomende tijd |
| dooreen zult schudden | bijzin, toekomende tijd |
| dooreengeschud | verleden tijd, deelwoord |
| dooreengeschud te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| dooreengeschud zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| dooreenschud | bijzin, tegenwoordige tijd |
| dooreenschudde | bijzin, verleden tijd |
| dooreenschuddend | onvoltooid, deelwoord |
| dooreenschudt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| ev. | gebiedende wijs |
| had dooreengeschud | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had dooreengeschud | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had dooreengeschud | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden dooreengeschud | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden dooreengeschud | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden dooreengeschud | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt dooreengeschud | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb dooreengeschud | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben dooreengeschud | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben dooreengeschud | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben dooreengeschud | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben dooreengeschud | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt dooreengeschud | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft dooreengeschud | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft dooreengeschud | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| schud dooreen | gebiedende wijs |
| schudde dooreen | verleden tijd |
| te hebben dooreengeschud | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen dooreenschudden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal dooreengeschud hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal dooreengeschud hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal dooreengeschud hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal dooreenschudden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal dooreenschudden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal dooreenschudden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal dooreenschudden | bijzin, toekomende tijd |
| zou dooreengeschud hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou dooreengeschud hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou dooreengeschud hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou dooreenschudden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou dooreenschudden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou dooreenschudden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou dooreenschudden | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) dooreenschudden dooreen zou(dt) schudden | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden dooreengeschud hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden dooreengeschud hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden dooreengeschud hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden dooreenschudden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden dooreenschudden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden dooreenschudden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden dooreenschudden | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt dooreengeschud hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt dooreenschudden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt dooreenschudden | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen dooreengeschud hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen dooreengeschud hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen dooreengeschud hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen dooreenschudden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen dooreenschudden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen dooreenschudden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen dooreenschudden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen dooreenschudden | bijzin, toekomende tijd |
| zult dooreengeschud hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult dooreenschudden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult dooreenschudden | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal dooreenschudden dooreen zult/zal schudden | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van dooreen bw en schudden ww
Woordfamilie van dooreenschudden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| dooreengeschud | voltooid deelwoord | dooreenschudden |
| dooreengeschudde | woordvorm | dooreenschudden |
| dooreenschud | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | dooreenschudden |
| dooreenschudde | subordinate-clause, verleden tijd | dooreenschudden |
| dooreenschuddend | onvoltooid deelwoord | dooreenschudden |
| dooreenschuddende | woordvorm | dooreenschudden |
| dooreenschudt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | dooreenschudden |
| schud dooreen | gebiedende wijs | dooreenschudden |
| schudde dooreen | verleden tijd | dooreenschudden |
| schudden dooreen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | dooreenschudden |
| schudt dooreen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | dooreenschudden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van dooreenschudden zijn vastgelegd.